De Rechtbank Rotterdam heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of twee vorderingen tot het uitkeren van een voorschot op een nalatenschap in kort geding kon worden toegewezen.
Eiser en gedaagde zijn de erfgenamen van erflaatster.
Gedaagde heeft deze nalatenschap zuiver aanvaard en eiser beneficiair.
Door de beneficiaire aanvaarding moet de nalatenschap van erflaatster worden vereffend.
Eiser is in mei 2023 een kort gedingprocedure tegen gedaagde gestart, omdat hij behoefte had aan de uitkering van zijn erfdeel uit de nalatenschap van erflater, dan wel een voorschot daarop.
De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft in de uitspraak van 7 juni 2023 (RBROT:2023:4821), voor zover hier van belang, gedaagde veroordeeld om haar medewerking te verlenen aan voldoening aan eiser van een voorschot op zijn erfdeel in de nalatenschap van erflater van € 30.000,-.
Erfrecht. Vorderingen tot uitkering van een voorschot op de nalatenschap. Belang. Levensonderhoud. Schulden van de nalatenschap. Afweging van belangen. Restitutierisico.
De rechter oordeelt als volgt.
De vorderingen in de hoofdzaak komen er, samengevat, op neer dat eiser verdeling vordert van de nalatenschappen van erflater en erflaatster.
Volgens eiser bedragen de erfdelen in de nalatenschap van erflater € 87.553,43 per persoon, zodat deze erfdelen aan erflaatster, gedaagde en eiser kunnen worden toebedeeld.
Eiser vordert dat gedaagde wordt veroordeeld haar medewerking te verlenen aan uitkering van een voorschot uit de nalatenschap van erflater, dan wel erflaatster, van € 50.000,-, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, en hieraan een dwangsom te verbinden van € 1.000,- per dag voor iedere dag dat gedaagde na betekening van het vonnis weigerachtig is aan de inhoud van het vonnis te voldoen.
Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij in een kliniek verblijft en derhalve geen recht heeft op een uitkering, maar wel kosten heeft.
Eiser werd financieel ondersteund door erflater en erflaatster.
Omdat deze ondersteuning er niet meer is, wil eiser graag een voorschot krijgen op zijn erfdeel.
Hij heeft deze nodig om de kosten van zijn levensonderhoud en zijn advocaatkosten te betalen.
Het reeds verkregen voorschot is al opgegaan aan advocaatkosten en het betalen van andere schuldeisers.
Gedaagde voert verweer en stelt zich op het standpunt dat eiser de uitkomst van de procedure in de hoofdzaak kan afwachten en ook onvoldoende (aangetoond) belang heeft bij het gevorderde voorschot.
De beoordeling van de incidentele vordering
De rechtbank ziet voldoende grond om aan eiser een voorschot te verstrekken van € 25.000,- en de vordering gedeeltelijk toe te wijzen.
Hieronder wordt toegelicht hoe tot dit oordeel is gekomen.
Voor toewijzing van een voorlopige voorziening gedurende de duur van het geding is nodig dat het gaat om een vordering die samenhangt met de hoofdvordering (artikel 223 lid 2 Rv).
Daar is hier sprake van, want de gevraagde voorlopige voorziening van eiser hangt samen met de hoofdvordering en is gericht op een voorziening die voor de duur van de aanhangige bodemprocedure kan worden gegeven.
Vervolgens moet beoordeeld worden of een afweging van de materiële belangen van partijen de gevorderde ordemaatregel rechtvaardigt.
Bij een voorziening in de vorm van betaling van een geldsom is dat, in verband met het restitutierisico, meestal alleen het geval indien de vordering tot het beloop van het gevorderde voorschot reeds voldoende vaststaat dan wel op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld.
Eiser onderbouwt voldoende dat hij belang heeft bij het verkrijgen van een voorschot, omdat hij vanwege zijn verblijf in een Tbs-kliniek niet in staat is om inkomen te genereren terwijl hij wel uitgaven moet verrichten voor zijn dagelijkse levensonderhoud en hij advocaatkosten heeft in verband met deze procedure.
Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat eiser over een vermogen beschikt waaruit hij zijn lasten kan voldoen.
Dat eiser inmiddels al een bedrag van € 37.750,- heeft ontvangen, maakt niet dat eiser geen belang meer heeft.
De rechtbank is van oordeel dat eiser met de door hem overgelegde producties voldoende aannemelijk maakt dat dit bedrag, of in ieder geval een groot deel daarvan, inmiddels is opgegaan aan kosten voor zijn advocaat, aan kosten voor levensonderhoud en aan het afbetalen van schuldeisers.
Voorts staat de vordering van eiser op de nalatenschap van erflater tot het beloop van het gevorderde voorschot voldoende vast, want gedaagde betwist niet dat het erfdeel waar eiser recht op heeft in de nalatenschap van erflater € 87.553,43 bedraagt.
Dat de nalatenschappen in strikte zin niet over voldoende liquide middelen beschikken, omdat beide nalatenschappen volgens gedaagde slechts bestaan uit een onverdeeld aandeel in een ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, is geen reden om geen voorschot toe te kennen.
Gedaagde betwist namelijk niet dat er nog ruim voldoende liquide middelen aanwezig zijn op de bankrekening van erflaatster waaruit het voorschot betaald kan worden.
Gedaagde onderbouwt voorts onvoldoende dat eiser onvoldoende rekening houdt met de overige belangen, zoals eventuele aanslagen van de belastingdienst en andere schuldeisers, en waarom dat, ondanks de ruime hoeveelheid liquide middelen op de bankrekening van erflaatster, een reden is om geen voorschot toe te kennen.
Omdat het gevorderde voorschot, wat gedeeltelijk wordt toegewezen, samen met het al verstrekte voorschot van € 30.000,- niet hoger is dan het erfdeel van eiser in de nalatenschap van erflater en deze nalatenschap niet vereffend hoeft te worden, wordt gedaagde voorts niet gevolgd in haar standpunt dat er strijd is met de regel dat verdeling tijdens vereffening is uitgesloten.
De rechtbank is van oordeel dat eiser met een (feitelijk) aanvullend voorschot van € 25.000,- in staat moet worden geacht zijn lopende verplichtingen te voldoen.
Daarbij gaat de rechtbank er ook van uit dat de hoofdzaak binnen afzienbare tijd wordt behandeld.
Gedaagde wordt dus veroordeeld om haar medewerking te verlenen aan het uitkeren van een voorschot van € 25.000,- uit de nalatenschap van erflater aan erflater.
De rechtbank ziet in de omstandigheid dat gedaagde heeft meegewerkt aan het verstrekken van het eerste voorschot aanleiding om geen dwangsom op te leggen aan het verstrekken van een tweede voorschot.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Het incident van gedaagde
Gedaagde vordert dat eiser wordt veroordeeld zijn medewerking te verlenen aan de uitkering van een bedrag van € 80.000,- aan haar uit de ontbonden huwelijksgemeenschap van erflater en erflaatster dan wel uit de nalatenschap van erflater dan wel uit de nalatenschap van erflaatster, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, en hieraan een dwangsom te verbinden van € 1.000,- per dag voor iedere dag dat eiser na betekening van het vonnis weigerachtig is aan de inhoud van het vonnis te voldoen.
Gedaagde legt aan haar vordering ten grondslag dat zij door het kort gedingvonnis in een ongelijke positie ten opzichte van eiser is komen te verkeren.
Eiser heeft geen onvoorwaardelijke medewerking willen verlenen om gedaagde in een gelijke positie te brengen.
Gedaagde stelt verder dat zij de advocaatkosten niet meer uit haar eigen inkomsten en vermogen kan voldoen, zodat zij belang heeft bij het ontvangen van een voorschot.
Eiser voert verweer en stelt zich op het standpunt dat hij niet meer heeft ontvangen dan gedaagde, omdat sprake is van een voorschot.
Per saldo zullen beide partijen uiteindelijk hetzelfde ontvangen uit de nalatenschappen.
Gedaagde onderbouwt volgens eiser daarnaast onvoldoende dat zij belang heeft bij toewijzing van de vordering.
De beoordeling van de incidentele vordering van gedaagde
Hoewel de gevraagde voorlopige voorziening van gedaagde samenhangt met de hoofdvordering en is gericht op een voorziening die voor de duur van de aanhangige bodemprocedure kan worden gegeven, onderbouwt gedaagde onvoldoende dat zij een belang heeft en de gevorderde ordemaatregel gerechtvaardigd is.
Eiser zal daarom niet veroordeeld worden om mee te werken aan het verstrekken van een voorschot aan gedaagde.
Hieronder wordt toegelicht waarom.
Ten eerste weegt mee dat gedaagde onvoldoende onderbouwt dat zij thans over onvoldoende middelen beschikt om haar advocaatkosten te betalen.
Het is daarom niet duidelijk waarom niet van haar gevergd kan worden dat zij de afloop van de hoofdzaak afwacht.
Daarnaast is het enkele feit dat eiser door de verstrekte voorschotten nu al meer heeft gekregen dan gedaagde onvoldoende reden om aan gedaagde een voorschot toe te kennen.
Bij de uiteindelijke verdeling zal gedaagde immers haar aandeel ontvangen in de nalatenschappen en zal het aandeel van eiser verrekend moeten worden met de al door hem ontvangen voorschotten.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank onvoldoende grond om ook aan gedaagde een voorschot toe te kennen, zodat deze vordering wordt afgewezen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.