De Rechtbank Limburg heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of de onverdeelde helft van de woning in de nalatenschap van moeder viel.
De kern van het geschil tussen partijen draait om de vraag in welk vermogen de eigendom van de woning valt.
De Vereffenaar stelt zich op het standpunt dat de onverdeelde helft van de woning in de nalatenschap van moeder valt, althans dat de woning behoort tot de ontbonden huwelijksgemeenschap, waartoe de erfgenamen van moeder voor de helft gerechtigd zijn.
Vader en moeder waren immers in gemeenschap van goederen gehuwd en de woning viel in de huwelijksgemeenschap.
Dit betekent dat moeder, na en door het overlijden van vader, op grond van het bepaalde in artikel 1:100 BW voor de onverdeelde helft rechthebbende op de woning was.
Verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap heeft nog niet plaatsgevonden.
Er is slechts een vruchtgebruik gevestigd op de onverdeelde helft van (de erven van) vader in de woning, aldus de Vereffenaar.
Gedaagden delen het standpunt van de Vereffenaar en hebben geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen in conventie.
Overige gedaagden betwisten het standpunt van de Vereffenaar.
Volgens hen valt de woning geheel in de nalatenschap van vader.
Gedaagden stellen daartoe dat het niet mogelijk is om een vruchtgebruik te vestigen op een onverdeeld aandeel in een ontbonden gemeenschap of op een onverdeeld aandeel in een goed.
Daartoe moet de ontbonden gemeenschap eerst (geheel dan wel gedeeltelijk) worden verdeeld, in die zin dat het desbetreffende goed wordt toegedeeld aan een der deelgenoten.
Dat partijen bij de Akte het vruchtgebruik op de woning hebben gevestigd, impliceert een toedeling aan de nalatenschap van vader.
Uitleg van de Akte en de Volmachten leidt ook tot deze conclusie.
Bovendien was het ook om fiscale redenen de bedoeling van partijen dat moeder het vruchtgebruik van de woning zou krijgen en de erfgenamen van vader het bloot eigendom.
Gedaagden stellen ter onderbouwing van hun standpunt dat na het overlijden van vader is afgesproken dat de woning zou worden toegedeeld aan de nalatenschap van vader.
Daarmee zou uitvoering worden gegeven aan de uitdrukkelijke wens van vader dat ‘de woning voor de kinderen’ zou zijn.
Nu de beoogde toedeling nimmer is geëffectueerd behoort de woning echter nog tot de ontbonden huwelijksgemeenschap, waartoe de nalatenschappen van vader en moeder voor gelijke delen zijn gerechtigd.
De primaire vordering van de Vereffenaar moet daarom worden afgewezen.
Bij de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap zal rekening moeten worden gehouden met de bedoeling van partijen, zoals deze tot uiting is gekomen door ondertekening van de volmachten en bevestigd door de notariële akte tot afgifte legaat c.q. de vestiging van het vruchtgebruik op de woning ten behoeve van moeder.
Het ligt dus voor de hand dat de woning alsnog aan de erfgenamen van vader wordt toegedeeld.
Voor zover hierover discussie bestaat, wordt deze niet opgelost door de subsidiaire vordering van de Vereffenaar.
Nu de deelgenoten het er bovendien over eens zijn dat de woning moet worden verkocht, rijst de vraag welk belang de Vereffenaar heeft bij de subsidiair ingestelde vordering.
Overige gedaagden zijn daarom van mening dat de Vereffenaar in deze vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Erfrecht. Verdeling van een nalatenschap. Vereffenaar vordert verklaring voor recht. Valt de onverdeelde helft van de woning in de nalatenschap van moeder? Levering en overdracht van een woning.
De rechtbank overweegt als volgt.
Niet in geschil is dat de woning na het overlijden van vader in de ontbonden huwelijksgemeenschap is gevallen en dat tot deze ontbonden gemeenschap de erfgenamen van vader enerzijds en moeder anderzijds ieder voor de onverdeelde helft waren gerechtigd.
De vraag die moet worden beantwoord is of de ontbonden huwelijksgemeenschap ten aanzien van de woning is verdeeld, in die zin dat de woning in de nalatenschap van vader is gevallen.
Daarbij stelt de rechtbank voorop dat als verdeling wordt aangemerkt ‘iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten medewerken en krachtens welke een of meer van hen een of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen’ (art. 3:182 BW).
De verdeling kan (behoudens uitzonderingen) geschieden op de wijze en in de vorm die partijen goeddunkt (art. 3:183 lid 1 BW).
Echter, voor de overgang van het aan ieder der deelgenoten toegedeelde is een levering vereist op dezelfde wijze als voor overdracht is voorgeschreven (art. 3:186 lid 1 BW).
Door de uitvoering van deze leveringshandeling gaat het goed vanuit het (afgescheiden) vermogen van de ontbonden huwelijksgemeenschap over in het (eigen) vermogen van de deelgenoot aan wie het goed is toegedeeld.
Pas nadat deze levering heeft plaatsgevonden is de verdeling goederenrechtelijk afgerond.
De leveringshandeling kan aldus worden gezien als de (rechts)handeling ter voltooiing van de (vormvrije) overeenkomst van verdeling.
Zolang deze leveringshandeling niet is verricht is de ontbonden gemeenschap wel verdeeld, maar goederenrechtelijk nog niet beëindigd.
De ontbonden gemeenschap blijft daarmee bestaan.
De levering van een woning dient op grond van artikel 3:89 lid 1 BW te geschieden door een daartoe bestemde, tussen partijen opgemaakte notariële akte, gevolgd door inschrijving daarvan in de daartoe bestemde openbare registers.
Volgens lid 2 van datzelfde artikel dient de tot levering bestemde akte nauwkeurig de titel van overdracht te vermelden.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat een hiervoor bedoelde leveringshandeling heeft plaatsgevonden.
De akte waarbij het vruchtgebruik ten behoeve van moeder is gevestigd kan niet worden beschouwd als een in artikel 3:89 BW bedoelde akte.
In die akte is immers alleen sprake van afgifte van een legaat van vruchtgebruik door de erfgenamen van vader aan moeder, ter vestiging van het levenslange recht van vruchtgebruik op de woning.
Op geen enkele wijze wordt in die akte melding gemaakt van een levering bij dezelfde akte van de woning aan de erfgenamen van vader in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, die wordt geacht aan de vestiging van het vruchtgebruik te zijn voorafgegaan.
Evenmin bevat die akte een nauwkeurige omschrijving van de titel die aan de beweerde levering ten grondslag zou hebben gelegen, zoals voorgeschreven in lid 2 van artikel 3:89 BW.
Dit wordt niet anders doordat in de akte is opgenomen dat de woning behoort tot de nalatenschap van vader.
Hierin kan geen levering worden gelezen; hooguit veronderstelt dit een eerdere levering.
Echter, het bestaan van een andere akte waaruit de levering volgt, is gesteld noch gebleken.
De conclusie dient dan ook te luiden dat de woning nog in de ontbonden huwelijksgemeenschap valt, tot welke gemeenschap de erven van vader en de erven van moeder gelijkelijk gerechtigd zijn.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.