De Rechtbank Den Haag heeft op 8 juni 2022 uitspraak gedaan over de uitleg van de bewoordingen van een testament.

Op 11 januari 2019 is overleden mevrouw A (hierna erflaatster).

Erflaatster is bij leven gehuwd geweest in eerste echt met de heer B, welk huwelijk in 1976 is ontbonden door echtscheiding.

Tijdens dit huwelijk zijn twee kinderen geboren, te weten gedaagde en eiser.

Erflaatster is in 1985 hertrouwd met de heer C onder het maken van huwelijkse voorwaarden.

De heer C is in eerste echt gehuwd geweest met mevrouw D en uit dit huwelijk is één kind geboren, te weten eiser.

Binnen het huwelijk van erflaatster en de heer C zijn geen kinderen geboren.

Eisers vordert – samengevat – een verklaring voor recht dat onder “afstammelingen” in het testament moet worden begrepen: “uitsluitend de eigen kinderen en de kinderen van de partner” en dat gedaagde en eiser beiden een erfdeel krijgen gelijk aan een derde deel van het saldo van de nalatenschap en dat overige eiser een legaat krijgt gelijk aan een derde van het saldo van de nalatenschap.

Erfrecht. Uitleg van een testament. Uitleg van het woord “afstammelingen” in testament. Kleinkinderen. Stiefkinderen. Achterkleinkinderen.

De rechter oordeelt als volgt.

Partijen zijn het niet eens over de uitleg van het testament van erflaatster.

Ten tijde van het maken van haar uiterste wil was het oude erfrecht nog van toepassing en ten tijde van haar overlijden was het nieuwe erfrecht in werking getreden.

In dergelijke gevallen wordt de maatstaf voor de uitleg van het testament gegeven door art. 4:46 BW, dat immers ingevolge art. 68a Overgangswet Nieuw BW onmiddellijke werking heeft (HR 18 februari 2011, HR:2011:BO9581).

Artikel 4:46 lid 1 BW bepaalt dat bij de uitleg van een uiterste wilsbeschikking moet worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.

Volgens lid 2 mogen daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil alleen dan voor uitlegging van een beschikking worden gebruikt, als deze zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft.

Uitleg van een testament volgens artikel 4:46 BW moet dus plaatsvinden in twee fasen.

In de eerste fase moet worden vastgesteld of het testament onduidelijk is (geen duidelijke zin heeft).

Hierbij gaat het niet om een uitsluitend grammaticale methode van uitleg van de tekst van het testament, ook in geval de bewoordingen van het testament op het eerste gezicht volstrekt duidelijk zijn, maar steeds dient rekening te worden gehouden met de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en met de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt.

Deze verhoudingen en omstandigheden hoeven niet uit het testament te blijken.

Indien en nadat in de eerste fase is vastgesteld dat het testament onduidelijk is, moet in de tweede fase van uitlegging worden achterhaald wat de onduidelijk in het testament verwoorde bedoeling van de erflaatster is geweest, waarbij dan ook mag worden gelet op daden en verklaringen van erflaatster buiten het testament.

Met andere woorden: beoordeeld moet worden wat erflaatster voor ogen stond op het moment waarop zij het testament liet opstellen.

Alleen als dat niet duidelijk is, mag rekening worden gehouden met gedragingen of mededelingen van erflaatster na dat moment.

De grammaticale uitleg van het woord afstammeling, dat staat genoemd in artikel VI van het testament, is dat een afstammeling een bloedverwant in neerdalende lijn is.

Dat wil zeggen: kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen.

Ook in diverse wetsartikelen onder het oude erfrecht werd onderscheid gemaakt tussen de term kinderen en afstammelingen (zie bijvoorbeeld artikel 4:899 (oud) BW).

Uit dit onderdeel van het testament valt tekstueel dan ook niet op te maken dat het woord afstammelingen enkel ziet op de kinderen van erflaatster en de zoon van de heer C , zoals door eisers wordt gesteld.

Om te achterhalen welke verhoudingen erflaatster kennelijk wenste te regelen, zal de rechtbank ook hetgeen is opgenomen in de andere artikelen in het testament van erflaatster bij de uitleg betrekken.

Ook in dat geval is de rechtbank niet van oordeel dat het woord afstammelingen alleen ziet op de kinderen van erflaatster en de zoon van de heer C.

Zij motiveert dit als volgt.

Het testament is opgemaakt onder het oude erfrecht en erflaatster heeft gekozen voor de ouderlijke boedelverdeling.

Een ouderlijke boedelverdeling was mogelijk tussen de langstlevende echtgenoot en de “afkomelingen”.

Onder afkomelingen werden zowel de kinderen als de afstammelingen begrepen, zodat de keuze voor de ouderlijke boedelverdeling niet impliceert dat onder afstammelingen enkel de (stief)kinderen begrepen moeten worden.

Anders dan eisers betogen, blijkt uit de uitspraak van 2 augustus 2017 van de rechtbank Amsterdam (RBAMS:2017:5873) niet dat “afkomelingen” alleen kinderen en niet (ook) kleinkinderen kunnen zijn.

In die zaak stond niet de vraag centraal of alleen de kinderen of ook de kleinkinderen betrokken moesten worden bij de ouderlijke boedelverdeling.

Ook het feit dat in het testament onder V staat “mijn kinderen of verdere nakomelingen” en dat zij bij het niet bekrachtigen van de verdeling in de legitieme worden gesteld, maakt niet dat onder afstammelingen enkel de (stief)kinderen begrepen moeten worden.

Onder het oude recht hadden alleen de kinderen en in het geval van plaatsvervulling hun nakomelingen recht op een legitieme portie.

Daardoor kon ook enkel voor de kinderen en in het geval van plaatsvervulling hun nakomelingen, en niet voor de andere afstammelingen, een dergelijke overweging in het testament worden opgenomen.

Voor de afstammelingen die niet opkomen door middel van plaatsvervulling zou het niet bekrachtigen dan wel betwisten of inroepen van de nietigheid van de verdeling er niet toe kunnen leiden dat zij in de legitieme werden gesteld.

Kortom: deze bepaling zou erop kunnen duiden dat erflaatster alleen haar (stief)kinderen op het oog had, maar noodzakelijk is dat niet.

Ook de door eisers aangehaalde uitspraak van deze rechtbank van 22 januari 2020 (RBDHA:2020:274) kan niet leiden tot het resultaat dat eisers wensen.

In de zaak waarnaar eisers verwijzen was weliswaar ook de vraag aan de orde hoe de term “afstammelingen” in een testament moest worden uitgelegd, maar daar waren er ondersteunende stukken aanwezig waaruit bleek dat erflater met afstammelingen alleen zijn kinderen had bedoeld.

Dat is in deze zaak niet het geval.

Daarnaast wijst het feit dat in het testament geen overweging is opgenomen met betrekking tot plaatsvervulling erop dat erflaatster de wens had al haar afstammelingen en niet alleen haar (stief)kinderen tot erfgenaam te benoemen.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft gedaagde gesteld dat gelet op de letterlijke tekst van het testament onder VI enkel eiser en niet zijn dochter legataris is omdat onder VI onder a staat: “de afstammelingen van mijn echtgenoot, die waren zij eveneens mijn afstammelingen, bij mij overlijden als erfgenamen tot mijn nalatenschap zouden zijn geroepen”.

Omdat hier het woord erfgenamen staat genoemd en in dit artikel de erfgenamen niet eerder zijn gespecificeerd moet worden uitgegaan van degenen die erfgenaam kunnen zijn volgens de wet.

In dat geval kan volgens gedaagde enkel eiser en niet zijn dochter legataris zijn van erflaatster en dient de nalatenschap door 10 te worden gedeeld in plaats van door 11.

Eisers stellen daarentegen dat “bij mijn overlijden als erfgenamen” juist maakt dat gedaagde en eiser als eigen kind (en erfgenaam) en overige eiser (stiefkind) als legataris tot haar nalatenschap worden geroepen omdat bij dit overlijden van erflaatster de kleinkinderen geen wettelijke erfgenaam zijn.

De rechtbank is van oordeel dat voor de uitleg van de zin “de afstammelingen van mijn echtgenoot, die waren zij eveneens mijn afstammelingen, bij mij overlijden als erfgenamen tot mijn nalatenschap zouden zijn geroepen” niet enkel strikt naar artikel VI onder a van het testament moet worden gekeken maar daarbij ook hetgeen staat genoemd onder b moet worden meegenomen.

Daarbij acht de rechtbank het onwaarschijnlijk dat erflaatster in het geval dat zij tegelijk met haar echtgenoot zou komen te overlijden anderen tot haar erfgenamen heeft willen benoemen dan in het geval zij als eerste zou komen te overlijden.

De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat voornoemde zin zo moet worden gelezen dat het gaat om de erfgenamen zoals erflaatster deze heeft bepaald in haar testament, in dit geval dus haar afstammelingen en niet op de erfgenamen volgens de wet.

Deze uitleg maakt dat naast eiser ook zijn dochter legataris is in de nalatenschap van erflaatster.

Voor zover eisers er nog op wijzen dat in artikel IV onder A2 en onder B van het testament wordt gesproken over “ieder van mijn overige erfgenamen” en over “in het saldo van mijn nalatenschap toekomend erfdeel” en in artikel VIII over “mijn erfgenamen en legatarissen” kan ook hieruit naar het oordeel van de rechtbank niet worden opgemaakt dat het gaat om erfgenamen op grond van de wet zoals door hen wordt betoogd.

Zoals hiervoor geoordeeld gaat de rechtbank ervan uit dat ook deze bepalingen in het testament zien op de erfgenamen die zijn genoemd in het testament.

In dit geval dus de afstammelingen.

Ook ziet naar het oordeel van de rechtbank het erfdeel niet op het wettelijk erfdeel maar ziet het op het erfdeel dat een afstammeling krijgt op basis van het testament.

Ook uit de rest van het testament valt niet op te maken dat erflaatster een andere bedoeling had dan wat is opgeschreven.

Daarnaast zijn er ook geen andere tot bewijs dienende stukken in het geding gebracht waarmee achterhaald kan worden welke verhoudingen erflaatster kennelijk wenste te regelen.

Weliswaar hebben gedaagde en eiser gelijk waar zij stellen dat het meer gebruikelijk is dat ouders alleen hun (stief)kinderen tot erfgenamen benoemen dan dat zij ook de (achter)kleinkinderen betrekken, maar het testament biedt geen duidelijke aanknopingspunten dat erflaatster heeft gewild dat haar nalatenschap alleen door gedaagde en eisers zou worden gedeeld.

Nu in de eerste fase wordt vastgesteld dat het testament voldoende duidelijk is, komt de rechtbank niet toe aan de tweede fase.

Daardoor kan geen rekening worden gehouden met gedragingen en mededelingen van erflaatster na het opstellen van het testament, waaronder het mogelijke contante geld dat erflaatster voor haar overlijden aan diverse kleinkinderen heeft gegeven en de omstandigheid dat het testament van de echtgenoot van erflaatster anders is uitgelegd en erflaatster daar destijds geen bezwaar tegen heeft gemaakt.

De rechtbank gaat er dan ook van uit dat erflaatster onder afstammelingen naast de (stief)kinderen ook de (stief)(achter)kleinkinderen heeft bedoeld.

De vorderingen van eisers zullen dan ook worden afgewezen en de vorderingen van gedaagden zullen worden toegewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.