De Advocaat-Generaal bij het Parket bij de Hoge Raad heeft enige tijd geleden diverse aspecten van bewijsvoering besproken met betrekking tot de vaststelling van een geestelijke stoornis.

In cassatie is aan de orde of het hof tot het oordeel heeft kunnen komen dat eisers niet zijn geslaagd in het door hen te leveren bewijs dat de uiterste wilsbeschikking van erflaatster op grond van art. 3:34 BW nietig is.

Erfrecht. Nietig testament. Wilsonbekwaamheid. Geestelijke stoornis. Bewijs. Stelplicht en bewijslast. Bewijsvermoeden. Waardering van bewijs. Medisch bewijs. Toetsingsmaatstaf.

De A-G concludeert als volgt.

Uit art. 3:34 lid 1 BW volgt dat voor het inroepen van de nietigheid is vereist dat sprake is van een tijdelijke of blijvende stoornis van de geestvermogens bij de erflater/testateur op het moment van het passeren van het testament.

Het is aan degene die zich op art. 3:34 BW beroept dit te stellen en zo nodig te bewijzen.

Dit geldt ook voor de stelling dat vanwege de geestelijke stoornis een met de uiterste wilsbeschikking overeenstemmende wil heeft ontbroken.

Een wettelijk bewijsvermoeden schiet daarbij te hulp.

Op grond van art. 3:34 lid 1 BW wordt de voor de rechtshandeling vereiste wil geacht te ontbreken indien

  • de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette of
  • indien de verklaring onder invloed van de stoornis is begaan.

Volgens de parlementaire geschiedenis zijn beide criteria opgenomen, ‘omdat soms de ene, soms de andere beter te bewijzen zal zijn’.

De Hoge Raad heeft bepaald dat een partij in de regel voldoet aan haar stelplicht dat sprake is van een geestelijke stoornis als bedoeld in art. 3:34 BW door een voldoende onderbouwde medische verklaring in het geding te brengen die deze stelling ondersteunt.

Het zal evenwel in veel gevallen geen eenvoudige opgave zijn om deze stelling, na een voldoende onderbouwde betwisting, te bewijzen.

Dit geldt temeer wanneer eisers geen recht hebben op inzage in het medisch dossier.

Het is van belang dat er voldoende medische informatie beschikbaar is uit de periode waarin het testament is gepasseerd.

Zoals de onderhavige zaak illustreert, zal het slechts dan mogelijk blijken (voor een door de rechter benoemde deskundige) om postuum te kunnen oordelen dat de testateur ten tijde van het passeren van het testament wilsonbekwaam was.

De lastige bewijspositie van eisers betekent overigens niet dat er – als uitgangspunt – minder hoge eisen aan de bewijslevering moeten worden gesteld.

De rechter moet waken voor een te gemakkelijke postume inperking van de testeervrijheid van de testateur, zeker nu bij de notariële toetsing vooraf op het moment van het verlijden van het testament al veel aandacht wordt besteed aan de geestestoestand van de testateur.

De lastige bewijspositie onderstreept echter wel dat de notariële toetsing van de wilsbekwaamheid op het moment van het passeren van het testament zorgvuldig moet plaatsvinden.

In de literatuur is er daarom voor gepleit dat de notariële beoordeling van de wilsbekwaamheid van ouderen op het moment van het verrichten van rechtshandelingen met meer waarborgen wordt omgeven.

De beantwoording van de vraag of de erflaatster ten tijde van het opmaken van haar testament leed aan een geestelijke stoornis als bedoeld in art. 3:34 BW, berust op aan de feitenrechter voorbehouden waarderingen van feitelijke aard die in cassatie slechts beperkt toetsbaar zijn.

De waardering van het bewijs, waaronder een deskundigenbericht, is aan de feitenrechter (art. 152 lid 2 Rv).

In het algemeen heeft de rechter een beperkte motiveringsplicht ten aanzien van de beslissing om de bevindingen van een door hem benoemde deskundige al dan niet te volgen.

Indien de rechter de zienswijze van de deskundige volgt, zal de rechter zijn beslissing in het algemeen niet verder behoeven te motiveren dan door te overwegen dat de motivering van de deskundige hem overtuigend voorkomt.

Dit geldt temeer indien de door de deskundige gebezigde motivering vooral is gebaseerd op bijzondere kennis, ervaring en/of intuïtie.

De rechter dient echter bij de beantwoording van de vraag of hij de conclusies waartoe een deskundige in zijn rapport is gekomen in zijn beslissing zal volgen, alle ter zake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen en op basis van die aangevoerde stellingen in volle omvang te toetsen of aanleiding bestaat van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken.

De rechter moet ook ingaan op gemotiveerde specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van deze deskundige, als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze.

Wilt u de gehele conclusie bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over wilsonbekwaamheid of bewijs in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.