Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of de kosten van de uitvaart voor rekening kwamen van de erfgenamen.
Het gaat in deze zaak om het volgende.
De zoon van geïntimeerde is de ex-partner van appellante en de vader van haar twee minderjarige kinderen.
Na het overlijden van zijn zoon heeft geïntimeerde de uitvaart geregeld en een deel van de kosten daarvan betaald.
De vraag die voorligt is of de door geïntimeerde voorgeschoten kosten voor het grafrecht en het grafmonument ten laste komen van de erfgenamen.
De kantonrechter heeft die vraag bevestigend beantwoord.
Het hof komt tot een ander oordeel.
Er is geen grondslag voor vergoeding van deze kosten.
Dat oordeel wordt hierna toegelicht.
Erfrecht. Kosten van de uitvaart gedeeltelijk voldaan door vader erflater. Komen deze voor rekening van de erfgenamen? Zaakwaarneming? Ongerechtvaardigde verrijking?
De rechter oordeelt als volgt.
Aan het hof ligt in de kern voor de vraag of er een grondslag is voor vergoeding door de nalatenschap van de door geïntimeerde ten behoeve van de begrafenis van erflater gemaakte kosten.
Artikel 4:7 lid 1 onder b BW merkt de kosten van lijkbezorging, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene, als een ‘schuld van de nalatenschap’ aan.
Daarmee is echter nog niet gegeven dat appellante als wettelijk vertegenwoordiger van de erfgenamen verplicht is de kosten van de lijkbezorging aan een niet-erfgenaam als [geïntimeerde] te voldoen.
Daarvoor moet tevens sprake zijn van een rechtsgrond waar een verbintenis tot vergoeding uit voortvloeit.
Die verbintenis berust niet rechtstreeks op artikel 4:7 BW, maar kan voortvloeien uit het stelsel van de wet en de wel in de wet geregelde gevallen (artikel 6:1 BW).
Vaststaat dat geïntimeerde (en/of zijn zoon B, broer van erflater) opdracht heeft (hebben) gegeven tot het verzorgen van de uitvaart van erflater en dat geïntimeerde, als (mede)opdrachtgever, de aan het grafrecht en het grafmonument verbonden kosten van € 5.598,- heeft betaald.
Geïntimeerde (en/of zijn zoon) handelde(n) hierbij in eigen naam en niet namens de nalatenschap.
Geïntimeerde heeft primair aangevoerd dat hij op redelijke gronden de belangen van de erfgenamen heeft behartigd en dat sprake is van zaakwaarneming (artikel 6:198 BW).
Subsidiair vordert hij schadevergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW), omdat de kosten van de uitvaart ook als appellante wel opdracht zou hebben gegeven ten laste van de nalatenschap zouden zijn gekomen.
Artikel 6:198 BW omschrijft zaakwaarneming als het zich willens en wetens en op redelijke grond inlaten met de behartiging van eens anders belang, zonder de bevoegdheid daartoe aan een rechtshandeling of een elders in de wet geregelde rechtsverhouding te ontlenen.
Volgens artikel 6:200 lid 1 BW is de belanghebbende, voor zover zijn belang naar behoren is behartigd, gehouden de zaakwaarnemer de schade te vergoeden, die deze als gevolg van de waarneming heeft geleden.
In het vereiste “op redelijke grond” dat is neergelegd in artikel 6:198 BW, ligt besloten dat het behartigen van een anders belang tegen diens wil in beginsel geen zaakwaarneming als bedoeld in artikel 6:198 BW kan opleveren.
Geïntimeerde heeft gesteld dat hij de belangen van de erfgenamen is gaan behartigen toen appellante het naliet om aan te geven dat zij betrokken wilde worden bij het regelen van de uitvaart.
Omdat uit de houding en het gedrag van appellante bleek dat er van haar kant geen actief of betrokkenheid te verwachten viel, hebben geïntimeerde en zijn zoon B besloten om zelf verantwoordelijkheid te nemen.
Appellante heeft aangevoerd dat zij na het overlijden van erflater met geïntimeerde geen contact heeft gehad en dat door B aan haar is voorgehouden dat de partner van erflater, diens ouders en B de begrafenis in besloten kring zouden regelen.
Daarbij liet B duidelijk blijken dat eventuele bemoeienis door appellante niet aan de orde en niet gewenst was.
Zij wilden de begrafenis zelfstandig en naar eigen voorkeuren regelen en wensten niet dat appellante daarbij enige zeggenschap had.
Appellante wist op dat moment ook niet dat de minderjarige kinderen erfgenamen waren, zo betoogt zij.
Het hof stelt vast dat geïntimeerde de door appellante beschreven feitelijke gang van zaken niet voldoende gemotiveerd heeft weersproken.
Niet alleen is het in die situatie goed voorstelbaar dat appellante niet zelf het voortouw heeft genomen om de uitvaart namens haar zoons te regelen, nog belangrijker voor de beoordeling door het hof is dat daaruit blijkt dat geïntimeerde geen enkel initiatief heeft genomen om appellante bij de organisatie en de hierin te maken keuzes te betrekken.
Het had op zijn weg gelegen al het redelijke te doen om het een en ander met haar af te stemmen voordat hij zelf de opdracht aan de uitvaartorganisatie verstrekte.
Dat heeft geïntimeerde nagelaten, omdat hij er zeker van wilde zijn dat de uitvaart naar de wens van erflater zou verlopen en er geen onnodige vertraging zou ontstaan, zoals hij heeft toegelicht.
In dit geval blijkt uit de opstelling van geïntimeerde duidelijk dat hij geen bemoeienis door appellante bij de organisatie of besluitvorming over de uitvaart wenste.
Appellante is bewust gepasseerd.
Er is opgekomen voor de eigen belangen en de autonomie van de erfgenamen is daarbij niet gerespecteerd.
Gelet daarop kan in het onderhavige geval niet worden geoordeeld dat geïntimeerde zich “op redelijke grond” in de zin van artikel 6:198 BW heeft ingelaten met de belangen van appellante.
Zaakwaarneming dient er niet toe om aan partijen prestaties op te dringen die zij niet wensen.
Voor bewijslevering is gelet op dit oordeel geen plaats, nog daargelaten dat een voldoende specifiek bewijsaanbod ontbreekt.
Het hof verwerpt daarom het beroep op zaakwaarneming.
Dat betekent dat de grief doelt treft en het principaal hoger beroep slaagt.
Gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep komt het hof thans toe aan een beoordeling van de subsidiaire grondslag van de vorderingen.
Volgens artikel 6:212 lid 1 BW is hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, verplicht, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking.
Bij de vraag of sprake is van een verrijking komt het aan op een vergelijking tussen de feitelijke vermogenstoestand van de aangesprokene na het plaatsvinden van de gebeurtenis(sen) waarop de vordering is gebaseerd en diens hypothetische vermogenstoestand zoals deze zou zijn geweest als die gebeurtenis(sen) niet zou(den) hebben plaatsgevonden (vgl. HR 21 februari 2025, HR:2025:322).
Daarbij moet de rechter acht slaan op alle omstandigheden van het geval.
Voorkomen moet worden dat aan iemand ten onrechte een hem niet passende besteding zou worden opgedrongen.
Het is aan geïntimeerde om te stellen en te bewijzen dat het gebeurde tot verrijking van de erfgenamen heeft geleid.
Geïntimeerde heeft gesteld dat appellante opdracht zou hebben gegeven om de uitvaart van erflater te verzorgen indien geïntimeerde dat niet zou hebben gedaan en dat de uitvaartkosten in dat geval ten laste van de nalatenschap zouden zijn gekomen.
Daarmee is aan de vereisten van artikel 6:212 BW voldaan, aldus geïntimeerde.
Appellante heeft aangevoerd dat zij andere keuzes zou hebben gemaakt inzake de organisatie en de kosten van de uitvaart.
Zij zou daarbij hebben betrokken de uitvaartpolis en de uitvaartverzekering en zou hebben getracht de te maken kosten binnen het budget van die polissen te houden.
Het hof volgt appellante in haar verweer.
Vast staat dat er een uitvaartpolis was die in natura dekking bood voor het verzorgen van de uitvaart van erflater.
Uit de dekkingsbijlage blijkt dat de complete uitvaart is gedekt en dat aan de ‘overige uitvaartkosten’, zoals bijvoorbeeld grafrechten, een maximum bedrag is verbonden.
Aanvullend was een uitvaartverzekering in geld afgesloten, waaruit eventuele meerkosten konden worden betaald.
Appellante heeft onderbouwd en onweersproken gesteld dat zij andere keuzes zou hebben gemaakt waarmee het door beide polissen gedekte bedrag in ieder geval niet zou worden overschreden.
Geïntimeerde heeft niet betwist dat bij de door appellante gemaakte keuzes de kosten van de uitvaart in ieder geval gedekt zouden worden door de beide polissen.
Niet valt in te zien om welke reden appellante er niet in redelijkheid voor had mogen kiezen alleen dat budget aan te wenden voor de uitvaart, het grafmonument en de grafrechten.
Dat de door geïntimeerde gemaakte keuzes voor de uitvaart mogelijk beter bij de levensstijl van erflater pasten, is in dit kader niet relevant.
Waar het om gaat is of kosten zijn bespaard die – als geïntimeerde deze niet betaald zou hebben – anders door de erfgenamen voldaan hadden moeten worden.
Dat is niet zo.
Hieruit volgt dat niet is komen vast te staan dat er verrijking van de erfgenamen heeft plaats gevonden.
Het hof verwerpt daarmee ook de subsidiaire grondslag.
Dit alles leidt tot de slotsom dat de vorderingen van geïntimeerde bij gebreke van een deugdelijke grondslag alsnog moeten worden afgewezen.
Nog daargelaten dat een concreet en gespecificeerd bewijsaanbod ontbreekt, wordt aan bewijslevering gelet op dit oordeel niet toegekomen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.