De Rechtbank Limburg heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of een vordering tot betaling van rente uit een geldlening was verjaard.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij pas begin 2018 van het testament van erflater (vader) en de daarin opgenomen bepalingen tot terugbetaling van de rente kennis heeft genomen en dat deze vordering derhalve is verjaard.

Gedaagden hebben bij conclusie van antwoord naar voren gebracht dat vast staat dat eiseres een bedrag van fl. 60.000,00 van haar ouders heeft geleend en dat uit het testament volgt dat zij de hoofdsom vóór het maken van het testament van erflater al had terugbetaald.

Erfrecht. Geldlening. Rente. Verjaring. Verjaringstermijn. Verrekening. Is de rentevordering verjaard? Opeisbaarheid. Redelijkheid en billijkheid. Stuiting. Schriftelijke aanmaning. Bewijs.

De rechter oordeelt als volgt.

Zoals de rechtbank bij vonnis van 6 oktober 2021 heeft vastgesteld, heeft eiseres in 1984 fl. 60.000,00 geleend van erflater en erflaatster.

Eiseres stelt de laatste deelbetaling van de lening in 1989 te hebben voldaan.

Uit het testament van erflater, opgesteld op 4 november 1993, blijkt eveneens dat de geldlening was afgelost.

Voor zover erflater en erflaatster recht hadden op betaling van de rente – de rechtbank neemt dat hier  aan, nu een overeenkomst van geldlening in het dossier ontbreekt -, kan de rechtsvordering die aan het vorderingsrecht is verbonden, verjaren.

Uitgangspunt hierbij is dat art. 3:308 BW bepaalt dat een rechtsvordering tot betaling van renten van geldsommen verjaart door verloop van vijf jaar na aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.

In het kader van het verjaringsverweer van eiseres hebben beide partijen in het midden gelaten vanaf welk moment die vordering tot betaling van rente opeisbaar zou zijn (geweest) en waarom.

De rechtbank houdt het er daarom voor dat de rente in ieder geval op het moment van de laatste terugbetaling in 1989 opeisbaar was.

Gedaagden hebben het verjaringsverweer enkel betwist met de stelling dat erflater de verjaring gestuit zou hebben zodat de rechtbank de beoordeling daarvan ook enkel daarop zal toespitsen.

Weliswaar voeren gedaagden aan dat erflater in 1989 de verjaring zou hebben gestuit, maar dat valt, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet uit de brief van eiseres van 15 mei 2018 af te leiden.

Uit die brief blijkt immers dat erflater eiseres ‘een met potlood volgekrabbeld half A4tje getoond heeft waarop tussen allerhande berekeningen een bedrag van rond de 11000 gulden stond, dat nog open zou staan’.

Nu gedaagden onvoldoende concreet heeft aangevoerd wanneer de stuitingshandeling precies zou zijn verricht, zal de rechtbank die stuitingshandeling naar huidig BW beoordelen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan zulks niet als een stuitingshandeling worden gekwalificeerd, nu artikel 3:317 lid 1 BW een schriftelijke aanmaning of een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt, voorschrijft.

Ook de stelling van gedaagden dat zij er van overtuigd zijn dat erflater ook nadien voor stuiting heeft gezorgd, voldoet niet aan het hiervoor omschreven criterium.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de rechtsvordering die aan de rentevordering is verbonden in 1994 is verjaard.

Subsidiair hebben gedaagden nog aangevoerd dat het verjaringsverweer van eiseres in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou zijn, omdat van erflater en erflaatster niet verlangd kon worden dat zij rechtsmaatregelen zouden treffen jegens hun dochter.

De rechtbank volgt gedaagden daarin echter niet.

Weliswaar kan een beroep op het verstrijken van een verjaringstermijn in een uitzonderlijk geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn, maar de enkele stelling van gedaagden dat het treffen van rechtsmaatregelen van erflater en erflaatster niet verlangd kon worden, kan niet, in ieder geval niet zonder nadere toelichting die ontbreekt, de conclusie dragen dat hier sprake is van een zodanig uitzonderlijk geval.

De stelling dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, strandt derhalve.

Aangezien de rechtsvordering die aan de rentevordering is verbonden op het moment van overlijden van erflater reeds was verjaard, behoorde deze niet tot het vermogen van erflater en erflaatster en daarmee niet tot diens nalatenschap.

De mogelijkheid tot verrekening ontbreekt dan ook, omdat de bevoegdheid tot verrekening pas is ontstaan nadat vorenbedoelde rechtsvordering reeds was verjaard.

Gelet hierop is ten onrechte een bedrag van € 11.086,60 op het aandeel van de boedel van eiseres in mindering gebracht, waardoor dit bedrag ten onrechte is meegenomen in de berekening van de boedel en aan eiseres aldus een te laag bedrag is uitgekeerd.

Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank hierna zal beslissen dat gedaagde, in haar hoedanigheid van testamentair-executeur van de nalatenschap van erflaatster, het resterende aandeel van € 11.086,60 uit de boedel aan eiseres dient te voldoen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.