De Rechtbank Gelderland heeft op 30 augustus 2022 uitspraak gedaan over de vraag of sprake was van misbruik van recht bij het leggen van executoriaal beslag ter verhaal van een vordering van een legataris op het privévermogen van erfgenaam terwijl de nalatenschap toereikend was.
Eiseres vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis de door gedaagde ten laste van eiseres gelegde executoriale beslagen in zijn geheel op zal heffen.
Ten eerste heeft gedaagde prematuur beslag gelegd omdat zij beslag heeft laten leggen terwijl de afwikkeling van de nalatenschap zich nog bevindt in de executele fase.
Eiseres is als executeur nog doende de schuldeisers van de nalatenschap in de volgorde zoals bepaald in artikel 4:7 BW te betalen.
De legataris is op grond van artikel 4:120 BW de laatste schuldeiser van dat rijtje en zal dus pas betaald kunnen worden nadat vast staat dat geen andere schuldeisers daardoor worden benadeeld.
Bovendien komt de verschuldigde erfbelasting ten aanzien van het legaat voor haar rekening.
Gedaagde kon als legataris haar vordering derhalve nog niet uitwinnen bij de executeur.
Ten tweede heeft gedaagde disproportioneel beslag laten leggen voor een bedrag van € 1.781.102,50 terwijl haar vordering beduidend lager is.
Gedaagde had op het moment van overlijden van erflater recht op een bedrag van $ 607.929,94 (€ 541.392,77).
Verminderd met het reeds uitgewonnen bedrag van € 420.463,29 resteert een bedrag van € 120.929,48 (exclusief erfbelasting).
Gedaagde wist dat maar heeft misbruik gemaakt van de situatie en heeft getracht zichzelf te bevoordelen met een veel te hoog bedrag.
Erfrecht. Kort geding. Executiegeschil. Opheffing beslag. Executoriale titel. Grosse van testament. Legaat. Verhaal op het privévermogen erfgenaam terwijl nalatenschap toereikend is. Misbruik van recht?
De rechter oordeelt als volgt.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiseres een spoedeisend belang heeft bij haar vordering.
In deze procedure is sprake van een executiegeschil in de zin van artikel 438 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Het spoedeisend belang volgt in dit soort zaken uit de aard van de zaak.
Bovendien heeft gedaagde bij deze rechtbank, locatie Arnhem, een bodemprocedure aanhangig gemaakt waarin zij de rechtbank toestemming heeft verzocht om de ten laste van eiseres in beslag genomen aandelen executoriaal te mogen verkopen.
De rechtbank heeft de beslissing op dit verzoek aangehouden in afwachting van de uitkomst in dit kort geding, zodat ook om deze reden het spoedeisend karakter van onderhavige procedure is gegeven.
Gedaagde heeft uit hoofde van de grosse van het testament, derhalve een notariële akte, executoriaal (derden)beslag laten leggen op de bankrekening van eiseres en de aandelen die zij houdt in een B.V.
Eiseres vordert in deze kort gedingprocedure de opheffing van deze beslagen.
Ter onderbouwing van deze vordering heeft zij in de eerste plaats aangevoerd dat het testament geen executoriale titel oplevert omdat het legaat in het testament volgens haar niet met voldoende bepaalbaarheid is omschreven.
Uit de omschrijving van het legaat in het testament kan, zo stelt eiseres, onvoldoende duidelijk worden bepaald wat de waarde van het legaat is en hoe deze moet worden vastgesteld.
Dit betekent dat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld of er nog een bedrag aan gedaagde is verschuldigd.
Gedaagde was daarom niet gerechtigd om tot executie over te gaan, aldus eiseres.
Een grosse van een testament waarin een geldlegaat is gemaakt, verschaft de legataris (in dit geval gedaagde) op grond van artikel 430 lid 1 Rv in beginsel een executoriale titel.
Volgens vaste rechtspraak is daarvoor nog wel vereist dat de executoriale titel betrekking heeft op een vordering die met voldoende bepaalbaarheid in de titel is omschreven.
Dat houdt in dat de akte op een voor de schuldenaar bindende wijze de weg moet aanwijzen waarlangs de omvang van de schuld kan worden vastgesteld (zie in dit verband HR 26 juni 1992, NJ 1993, 449 en HR 8 februari 2013, NJ 2013/123).
In onderhavig geval is in het testament vastgelegd op welke wijze de omvang van het legaat moet worden vastgesteld, namelijk op $ 2.000.000,00 verminderd met eventuele betalingen die door erflater tijdens zijn leven aan gedaagde zijn gedaan.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter, ook gelet op het gegeven maximum, is de omvang van legaat daarmee voldoende concreet bepaalbaar.
Weliswaar verschillen partijen van mening over de vraag of er tijdens het leven van erflater betalingen zijn gedaan die in mindering strekken op het bedrag van $ 2.000.000,00 maar dat neemt niet weg dat in het testament is bepaald op welke wijze de omvang van het (uiteindelijke) verschuldigde bedrag kan worden vastgesteld.
In de stellingen dat het legaat niet met voldoende bepaalbaarheid is omschreven, wordt eiseres dan ook niet gevolgd.
Nu de grosse van het testament een executoriale titel oplevert, kan gedaagde in beginsel overgaan tot executie van de grosse met ingang van het tijdstip dat het legaat opeisbaar is en de executeur in verzuim is.
Gedaagde is ook tot executie van de grosse overgegaan door executoriaal derdenbeslag te laten leggen op het privévermogen van eiseres.
Partijen verschillen onder meer van mening over de vraag of gedaagde het legaat direct kan verhalen op het privévermogen van eiseres of dat zij eerst verhaal had moeten zoeken op de nalatenschap.
In dit verband is van belang of bekend is dat de nalatenschap voldoende verhaal biedt, in welk geval eiseres eerst verhaal had moeten zoeken op de nalatenschap.
Vooropgesteld wordt dat het legaat op grond van artikel 4:7 lid 1 sub h BW een schuld in de nalatenschap vormt.
Schulden uit een legaat worden slechts ten laste van de nalatenschap voldaan als alle andere schulden van de nalatenschap daaruit ten volle kunnen worden voldaan (4:120 lid 1 BW).
Dit is het geval, zoals hierna wordt overwogen.
Partijen zijn het niet eens over de omvang van het legaat.
Gedaagde stelt dat zij een vorderingsrecht heeft van $ 2.000.000,00 en voor dit bedrag heeft zij ook executoriaal beslag laten leggen.
Eiseres betwist de hoogte van deze vordering.
Zij heeft daartoe aangevoerd dat verspreid over de periode van 2006 tot en met 2012 periodieke betalingen zijn gedaan aan gedaagde en dat de vordering met inachtneming van die betalingen $ 607.929,94 bedraagt.
Dit is ook herhaaldelijk door gedaagde erkend in de door haar verzonden e-mailberichten, aldus eiseres.
De voorzieningenrechter constateert dat gedaagde diverse uitlatingen heeft gedaan die erop wijzen dat de vordering die zij had op erflater, een openstaand saldo heeft van $ 607.929,94.
Dat de uitlatingen van gedaagde zien op andere vorderingen (te weten een aandelentransactie van G, een openstaande bedrag met betrekking tot A en een voorgeschoten bedrag voor een verjaardagsfeest), zoals door gedaagde is betoogd, komt de voorzieningenrechter niet aannemelijk voor.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt hieruit genoegzaam dat deze uitlatingen betrekking hebben op de vordering die gedaagde destijds had op erflater en welke vordering erflater in het testament heeft gelegateerd.
Daarmee is voldoende aannemelijk geworden dat gedaagde ten onrechte beslag heeft laten leggen voor een bedrag van $ 2.000.000,00 (€ 1.781.102,50) terwijl de omvang van de vordering aanzienlijk lager is, namelijk $ 607.929,94 (€ 541.392,77), en gedaagde daarmee mee bekend was.
Verminderd met het bedrag dat reeds is uitgewonnen via het bankbeslag ad € 420.463,29, resteert thans een openstaande vordering van € 120.929,48.
Eiseres heeft onweersproken gesteld dat de nalatenschap toereikend is om alle schulden van de nalatenschap en daarmee ook het openstaande bedrag van het legaat van gedaagde te voldoen.
Daarmee staat vast dat de vordering van gedaagde zonder meer uit de nalatenschap kan worden voldaan.
In het licht van deze omstandigheden valt niet in te zien waarom gedaagde er belang bij heeft om zich direct op het privévermogen van eiseres te verhalen.
Door gedaagde zijn geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat zij daarbij een voldoende rechtens te respecteren belang heeft.
Gedaagde kan immers verhaal zoeken op de nalatenschap.
De voorzieningenrechter acht gelet op deze omstandigheden voldoende gronden aanwezig om aan te nemen dat gedaagde met het leggen van executoriaal beslag op het privévermogen van eiseres misbruik maakt van haar executiebevoegdheid.
Het beslag moet daarom als onrechtmatig worden aangemerkt.
De primaire vordering tot opheffing van de gelegde executoriale beslagen zal derhalve worden toegewezen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.