Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 18 maart 2021 uitspraak gedaan over een verzoek tot de opheffing van een beschermingsbewind en het ontslag van een bewindvoerder.

De rechthebbende is de zoon van erflaatster.

Erflaatster is in 2011 overleden.

Erflaatster heeft in haar testament van 1 mei 2011 over haar nalatenschap beschikt en aan de rechthebbende een bedrag in contanten gelijk aan een derde deel van het saldo van haar nalatenschap gelegateerd.

Ten aanzien van dit legaat heeft zij onder meer het volgende bepaald: Ik stel al hetgeen mijn zoon (verzoeker), hierna te noemen: de rechthebbende, uit mijn nalatenschap verkrijgt onder bewind als bedoeld in artikel 153 lid 1 boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.

Erfrecht. Bewind. Verzoek tot opheffing bewind en ontslag bewindvoerder. Toetsing.

De rechter oordeelt als volgt.

Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter, indien een meerderjarige als gevolg van a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel b. verkwisting of het hebben van problematische schulden, tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, een bewind instellen over één of meer van de goederen die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.

Ingevolge artikel 1:449 lid 2 BW kan de kantonrechter, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, het bewind opheffen op verzoek van de bewindvoerder of van degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 432, eerste en tweede lid, dan wel ambtshalve.

Op grond van artikel 1:448 lid 2 BW wordt een bewindvoerder ontslag verleend hetzij op eigen verzoek hetzij wegens gewichtige redenen of omdat de bewindvoerder niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden, zulks op verzoek van een medebewindvoerder of degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in artikel 432, eerste en tweede lid, dan wel ambtshalve.

Het hof stelt voorop dat de kantonrechter bij beschikking van 2 april 2014 op verzoek van de zus van de rechthebbende een beschermingsbewind op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek over het legaat van erflaatster heeft uitgesproken.

Het hof volgt de rechthebbende daarom niet in zijn stelling dat dat het bewind op de verkeerde grond (beschermingsbewind in plaats van testamentair bewind) is uitgesproken.

Voor zover de rechthebbende stelt dat uit de beschikking van 2 april 2014 niet blijkt op welke gronden het beschermingsbewind is ingesteld, overweegt het hof dat het op de weg van de rechthebbende had gelegen om van deze beschikking hoger beroep in te stellen.

De rechthebbende heeft dit niet gedaan, zodat deze beschikking onherroepelijk is geworden.

Doordat sprake is van een beschermingsbewind als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW, dient de rechthebbende, als hij opheffing van het bewind wenst, aan te tonen dat de noodzaak voor het instellen van het beschermingsbewind niet langer bestaat.

Het hof is van oordeel dat de rechthebbende onvoldoende heeft onderbouwd dat hij in staat is om zelfstandig het beheer over het hem toekomende legaat te voeren.

Zo heeft de rechthebbende geen inzicht gegeven in de wijze waarop hij zelf zijn – niet onder het bewind vallende vermogen – beheert en heeft hij ook anderszins onvoldoende inzicht gegeven in zijn vaste lasten en andere uitgaven.

Het is op dit moment bijvoorbeeld onbekend wat de huidige woonlasten van de rechthebbende zijn, welke verzekeringen hij heeft of wat hij uitgeeft aan bijvoorbeeld eten en drinken.

Het voorgaande geldt temeer nu de rechthebbende reeds in zijn beroepschrift heeft toegezegd dat hij zijn uitgaven en lasten nog nader zal onderbouwen, hetgeen hij heeft nagelaten.

Daarbij komt dat de bewindvoerder ter mondelinge behandeling heeft verklaard dat het  beschermingsbewind op dit moment wel degelijk nog in het belang van de rechthebbende is.

Ten slotte is ook niet gebleken dat het beschermingsbewind niet langer zinvol is.

Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de rechthebbende niet in staat is gebleken om toe te lichten op welke wijze hij een eenmalig in december 2018 aan hem extra beschikbaar gesteld bedrag van € 10.000,- heeft besteed terwijl dit bedrag door hem in een periode van zes maanden is uitgegeven.

Ook heeft de rechthebbende een door de bewindvoerder in verband met een door de rechthebbende aangekondigde verhuizing aan hem in 2020 ter beschikking gesteld bedrag van € 5.000,- niet aantoonbaar aan zijn verhuizing besteed.

Het hof is op grond van deze overwegingen van oordeel dat het beschermingsbewind over het legaat van de rechthebbende in stand moet blijven.

Subsidiair verzoekt de rechthebbende het hof de bewindvoerder te ontslaan en een nieuwe bewindvoerder te benoemen.

De advocaat van de rechthebbende heeft dit verzoek ter mondelinge behandeling in hoger beroep in die zin nader toegelicht dat de rechthebbende zelf geen bewindvoerder heeft aangedragen, maar dat hij het hof volgt in de te benoemen bewindvoerder.

Uit de stukken is verder gebleken dat de bewindvoerder inmiddels zelf de kantonrechter heeft verzocht om ontslag.

Ter mondelinge behandeling heeft mr. B verklaard dat de beslissing in die procedure wordt aangehouden in afwachting van de uitkomst van de onderhavige hoger beroep.

Het hof zal het verzoek van de rechthebbende om de bewindvoerder te ontslaan afwijzen.

Het hof overweegt daartoe dat een verzoek tot ontslag van een bewindvoerder, anders dan een eigen verzoek van de bewindvoerder tot zijn ontslag, slechts kan worden toegewezen als gewichtige redenen tot dat ontslag nopen, of de bewindvoerder niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden.

Het onderhavige ontslagverzoek is onvoldoende onderbouwd en het hof is ook niet gebleken van feiten of omstandigheden die zouden moeten leiden tot een ambtshalve door het hof aan de bewindvoerder te verlenen ontslag.

Het hof merkt in dat verband nog op dat een door een rechthebbende ervaren striktheid van een bewindvoerder in het door die bewindvoerder gevoerde beheer van het vermogen en de uit dat vermogen aan een rechthebbende te verstrekken uitkeringen, min of meer inherent is aan beschermingsbewind: beschermingsbewind dient nu eenmaal ter bescherming van diegenen die – om wat voor reden dan ook – minder in staat zijn (gebleken) om zelf hun vermogensrechtelijke belangen waar te nemen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over bewind of curatele in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.