De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of de opschortende voorwaarde in een testament voor de afgifte van een legaat in vervulling waren gegaan.
De rechtsvraag die beslist dient te worden is of eiseres nakoming kan vorderen van het in het testament onder B lid l sub 1 en 2 door erflater aan haar toegekende vorderingsrecht.
Partijen zijn het er over eens dat erflater in zijn testament het gebruik en de bewoning van zijn woonhuis heeft gelegateerd aan eiseres, onder de verplichting om de eigenaarslasten verbonden aan het woonhuis te betalen.
Ook is in het testament bepaald dat als eiseres de woning binnen vijf jaar na het overlijden van erflater zou verlaten, aan haar door de erfgenamen ter gelegenheid van de verhuizing een bedrag van ten hoogste € 36.000,00 wordt uitgekeerd mits zij niet is opgenomen in een verpleeg- of verzorgingstehuis.
Erfrecht. Afgifte van een legaat. Onduidelijkheid in testament? Zijn de opschortende voorwaarde in vervulling gegaan? Opname in verpleeg- of verzorgingstehuis. Uitleg van testament.
De rechter oordeelt als volgt.
Partijen zijn het er over eens dat aan de eerste voorwaarde uit het testament onder B lid l sub 1 is voldaan.
Vast staat dat eiseres na het overlijden van erflater binnen vijf jaar verhuisd is naar een zorgappartement dat onderdeel is van woonzorgcentrum.
Tussen partijen is in geschil of dit zorgappartement kwalificeert als een verpleeg- of verzorgingstehuis als bedoeld in voormelde bepaling van het testament en daarmee valt onder de opschortende voorwaarde zoals genoemd in het testament.
Hoewel partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben verklaard dat de bewoordingen van voormelde bepaling in het testament voldoende duidelijk zijn, is er sprake van een onduidelijkheid in het testament ten aanzien van de vraag wanneer sprake is van een opname in een verpleeg- of verzorgingstehuis.
De oorzaak van de onduidelijkheid is aldus de verschillende uitleg die partijen geven aan de term “verpleeg- of verzorgingstehuis”.
Eiseres heeft op de feitelijke invulling van haar leef- en woonomstandigheden gewezen.
Gedaagde wijst daarentegen op informatie die onder meer op de websites www.regelhulp.nl en www.thebe.nl beschikbaar is.
De rechtbank dient aldus te beoordelen wat onder de zinssnede “opgenomen in een verpleeg- of verzorgingstehuis” in de zin van het testament dient te worden verstaan.
Het testament moet met toepassing van artikel 4:46 lid 1 BW worden uitgelegd.
Bij de uitleg dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil van erflater kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.
Om tot een uitleg van het testament te komen is allereerst van belang om vast te stellen welke verhoudingen erflater met het testament wilde regelen.
De rechtbank acht hierbij de volgende feiten en omstandigheden van belang:
– erflater en eiseres waren partners en woonden tot aan het overlijden van erflater al 35 jaar samen in de woning van erflater.
– het testament van erflater is opgemaakt tijdens de periode waarin [eiseres] met erflater samenwoonde.
– in het testament heeft erflater een levenslang recht van vruchtgebruik op de woning en gebruik van de inboedel aan eiseres gelegateerd, alsmede een geldbedrag van
€ 22.500,00.
– eiseres maakte tijdens de samenwoning met erflater gebruik van externe zorg en huishoudelijke hulp.
Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres onvoldoende weersproken heeft aangevoerd dat zij erflater dagelijks verzorgde, alsmede dat de financiën van erflater en haarzelf tijdens de samenwoning door elkaar liepen en dat geen sprake was van een strikte scheiding hiervan en dat zij vermogend is zodat eventuele zorgkosten hiermee gedekt kunnen worden.
Tot slot heeft eiseres onbetwist gesteld dat zij op de hoogte was van de inhoud van het testament van erflater en dat erflater haar goed verzorgd wilde achterlaten.
In dat verband heeft zij ook betoogd dat het de bedoeling van erflater was om kosten die gepaard zouden gaan met een eventuele verhuizing van eiseres uit de woning van erflater te kunnen dekken.
Die stelling vindt naar het oordeel van de rechtbank steun in de bewoordingen “ter gelegenheid van de verhuizing” zoals opgenomen onder B lid 1 sub 1 van het testament van erflater.
Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat er bij erflater sprake is geweest van een verzorgingsgedachte ten behoeve van eiseres.
De door erflater aan eiseres toegekende legaten hebben dan ook kennelijk ten doel uitvoering te geven aan deze verzorgingsgedachte.
Beide partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling expliciet verklaard dat de verzorgingsgedachte bij erflater voorop heeft gestaan.
Uitgaande van de vastgestelde en erkende verzorgingsgedachte is de rechtbank van oordeel dat een strikt formele uitleg – zoals gedaagde voorstaat – van de zinssnede “opgenomen in een verpleeg- of verzorgingstehuis” hier niet mee valt te verenigen.
Er zijn wat de rechtbank betreft geen aanwijzingen die erop duiden dat erflater een strikt formele uitleg van meergenoemde zinssnede voor ogen heeft gehad.
Bij haar oordeel betrekt de rechtbank de omstandigheid dat erflater in het testament onder B lid l sub 5 expliciet heeft bepaald dat een aanleunwoning niet wordt gezien als een verpleeg- of verzorgingstehuis.
Gelet op de opgesomde omstandigheden tezamen legt de rechtbank het testament van erflater zo uit dat het vanuit de hiervoor genoemde verzorgingsgedachte van erflater de bedoeling is geweest om verhuiskosten van eiseres anders dan naar een verpleeg- of verzorgingstehuis te dekken.
Verder geldt dat uit de stellingname van beide partijen volgt dat erflater niet wenste dat privé gelden aan zorgkosten zouden worden besteed.
De financieringsconstructie ter zake het appartement van eiseres is naar het oordeel van de rechtbank niet van belang en/of beslissend is voor de hiervoor gehanteerde uitleg.
Het voorgaande leidt ertoe dat aan de hand van de feitelijke omstandigheden van het onderhavige geval beoordeeld dient te worden of eiseres op het peilmoment – zijnde het moment waarop zij is verhuisd vanuit de woning van erflater – opgenomen is in een verpleeg- of verzorgingstehuis.
Dit is naar het oordeel van de rechtbank niet vast komen te staan.
Hiertoe wordt het volgende overwogen.
Vast staat dat eiseres verhuisd is naar een appartement dat deel uitmaakt van het het woonzorgcentrum van de zorgorganisatie.
Dit betreft een galerijflat met aangrenzend het woonzorgcomplex.
Eiseres heeft onvoldoende bestreden aangevoerd dat haar appartement beschikt over een eigen adres en dat het adres van het woonzorgcentrum een ander adres heeft.
Daarnaast heeft eiseres onweersproken aangevoerd dat haar appartement een eigen ingang heeft, alsmede dat zij ten behoeve van het appartement gemeente- en waterschapsbelasting betaalt.
Verder heeft eiseres onvoldoende bestreden aangevoerd dat zij in haar appartement over eigen voorzieningen beschikt, het appartement zelf heeft ingericht, alsmede dat zij de door haar benodigde huishoudelijke hulp en zorg, zoals een eigen huisarts zelfstandig heeft geregeld.
Voormelde stellingen heeft eiseres onderbouwd door producties in het geding te brengen.
Verder heeft eiseres betoogd dat zij dezelfde zorg en hulp ontvangt als die zij in de woning van erflater ontving.
Hoewel gedaagde betwist dat eiseres dezelfde zorg ontvangt als die zij in de woning van erflater ontving, heeft hij deze betwisting niet onderbouwd zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.
Naast de hiervoor geschetste feitelijke omstandigheden betrekt de rechtbank in haar oordeel tevens de omstandigheid dat eiseres een zogeheten ZZP zorgindicatie heeft.
Eiseres heeft in dit verband aangegeven dat er 10 mogelijke zorgvarianten zijn en dat zij niet de zwaarste zorgindicatie heeft.
Verder heeft eiseres uitgelegd dat ‘excl. bh’ inhoudt dat zij geen behandeling ontvangt en dat zij deze indicatie al had toen zij in de woning van erflater woonde.
Uit de bij producties gevoegde stuk van het zorgcomplex volgt dat het zorgcomplex verschillende (medische) disciplines beschikbaar heeft en dat indien nodig één van de disciplines ingezet kan worden.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat aan de opschortende voorwaarden zoals bepaald onder B lid l sub 1 is voldaan.
De vordering van eiseres is gericht op afgifte van dit legaat.
Die vordering dient te worden toegewezen.
De rechtbank begrijpt de vordering van eiseres zo dat zij naast afgifte van het legaat tevens betaling vordert van de hiermee gemoeide hoofdsom van € 36.000,00 (zoals bepaald in sub 2 van voormelde bepaling), vermeerderd met rente.
Dit volgt uit punt 10 van de akte wijziging van eis.
De rechtbank merkt op dat het petitum echter geformuleerd is als een primaire en subsidiaire vordering.
Dit laat onverlet dat de omvang van de vergoeding uit hoofde van het bewuste legaat waar eiseres aanspraak op maakt, tussen partijen niet in geschil is.
Nu de vordering tot afgifte van het legaat toewijsbaar is, zal de rechtbank met inachtneming van het vorenstaande vordering sub I toewijzen zoals hierna vermeld in het dictum.
Toewijzing van de vordering tot afgifte van het legaat betekent immers dat gedaagde aan eiseres een bedrag van € 36.000,00 dient uit te keren.
Gelet hierop heeft eiseres ook aanspraak op wettelijke rente over voormeld bedrag met ingang van 29 mei 2022.
Ingevolge het bepaalde in het testament had afgifte van het legaat uiterlijk binnen vier maanden na het overlijden van erflater moeten plaatsvinden, aldus uiterlijk 24 april 2019.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.