Het Gerechtshof Den Haag heeft onlangs uitspraak gedaan over de onwaardig om te erven op grond van een veroordeling wegens een misdrijf.
In 2016 is overleden A (hierna: erflaatster).
Zij was op het moment van overlijden in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met vader.
Erflaatster en de vader hadden samen 6 kinderen: appellant en geïntimeerden.
Erflaatster heeft niet bij uiterste wil over haar nalatenschap beschikt, waardoor op haar nalatenschap in beginsel de wettelijke verdeling van artikel 4:13 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing zou zijn.
De vader heeft de nalatenschap zuiver aanvaard.
Appellant en geïntimeerden hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard respectievelijk op 18 mei 2016 en op 14 maart 2016.
De vader is op 6 juli 2005 door de politierechter te Rotterdam veroordeeld voor twee feiten ter zake mishandeling van erflaatster en twee feiten ter zake bedreiging gericht tegen het leven van erflaatster.
Onwaardigheid op grond van een veroordeling wegens een misdrijf waarop een vrijheidsstraf van ten minste vier jaar is gesteld. Gaat het om de strafbepaling ten tijde van de veroordeling of ten tijde van het overlijden? Is er sprake van ondubbelzinnige vergeving?
De rechter oordeelt als volgt.
Ingevolge artikel 4:3 lid 1 sub b BW is van rechtswege onwaardig om uit een nalatenschap voordeel te trekken degene die onherroepelijk is veroordeeld wegens een opzettelijk tegen de erflater gepleegd misdrijf waarop naar de Nederlandse wettelijke omschrijving een vrijheidsstraf is ingesteld met een maximum van ten minste vier jaar dan wel wegens poging tot, voorbereiding van, of deelneming aan een dergelijk misdrijf.
De onwaardigheid vervalt, wanneer erflater aan de onwaardige op ondubbelzinnige wijze zijn gedraging heeft vergeven (lid 3).
Vast staat dat de vader op 6 juli 2005 onherroepelijk is veroordeeld voor mishandeling van erflaatster (tweemaal) en voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven van erflaatster gericht (tweemaal).
In geschil tussen partijen is de vraag of in het kader van de onwaardigheid gekeken moet worden naar de aan de strafbare feiten verbonden strafbepaling ten tijde van de strafrechtelijke veroordeling of ten tijde van het overlijden van erflaatster.
In het eerste geval zou dan geen sprake zijn van een misdrijf als bedoeld in artikel 4:3 lid 1 sub b BW en in het tweede geval wel, dit in verband met de gewijzigde maximumstraf.
Volgens appellanten moet gekeken worden naar het moment waarop de strafbare feiten zijn gepleegd dan wel het moment van de strafrechtelijke veroordeling, omdat anders sprake is van strijd met de algemene rechtsbeginselen en strijd met de rechtszekerheid.
Geïntimeerden zijn van mening dat gekeken moet worden naar het moment van overlijden van erflaatster.
Het hof oordeelt als volgt.
Artikel 4:3 BW is per 1 januari 2003 in werking getreden en heeft onmiddellijke werking.
Dit brengt met zich mee dat degene die vanaf het moment van inwerkingtreding van de wet aan de nieuwe onwaardigheidsgrond van artikel 4:3 lid 1 sub b BW voldoet, ook al gaat het om strafbare feiten van vóór de inwerkingtreding, bij een overlijden na de inwerkingtreding met onmiddellijke werking onwaardig wordt (zie memorie van toelichting, Kamerstukken II 1999/2000, 26822, nr. 3).
Gedragingen die onder het oude erfrecht niet tot onwaardigheid zouden hebben geleid maar onder het nieuwe erfrecht wel, brengen dus vanaf de inwerkingtreding onwaardigheid met zich mee.
Het feit dat de gedraging zelf (ooit) heeft plaatsgevonden, is hier dus doorslaggevend, en niet uitsluitend de omstandigheden waaronder dat destijds gebeurde, zoals de toenmalige strafbaarstelling ervan.
Hiermee strookt dat voor de onwaardigheid van degene die het misdrijf pleegt volstaat dat op de datum van overlijden van erflater/erflaatster op zijn strafbare gedraging een maximumstraf van ten minste vier jaar gevangenisstraf is gesteld.
Is deze datum van overlijden op of na 1 januari 2003 dan is artikel 4:3 BW van toepassing. Hierbij is niet van belang wanneer de strafrechtelijke gedraging heeft plaatsgevonden en ook niet of deze op het tijdstip waarop deze plaatsvond reeds leidde tot onwaardigheid.
Uit het vorenstaande is naar het oordeel van het hof ook af te leiden dat het – anders dan bij de strafbaarheid zelf – voor de civielrechtelijke (erfrechtelijke) gevolgen die aan een dergelijke gedraging (dienen te) worden verbonden niet van belang is of er op het moment van het plegen van de strafbare feiten bekendheid was of behoorde te zijn met het gevolg van de onwaardigheid.
Gelet hierop is naar het oordeel van het hof voor de onwaardigheid dan ook voldoende dat sprake is van een maximumstraf van ten minste vier jaar op het tijdstip van overlijden van erflaatster.
Niet ter discussie staat dat de vader naar de strafbepaling op het moment van overlijden van erflaatster voldoet aan de maatstaf zoals bepaald in artikel 4:3 lid 1 sub b BW. Hij is dan ook van rechtswege onwaardig om te erven van erflaatster.
Vervolgens dient te worden beoordeeld of, zoals appellanten stellen, erflaatster de vader ondubbelzinnig heeft vergeven, waarmee de onwaardigheid komt te vervallen.
Appellanten voeren daartoe aan dat erflaatster ervoor heeft gekozen het huwelijk voort te zetten en dat haar gedragingen bevestigen dat zij de vader heeft vergeven.
Geïntimeerden betwisten uitdrukkelijk dat van enige vergeving sprake was.
Volgens hen waren erflaatster en de vader formeel nog wel gehuwd, maar woonden zij al ruim 10 jaar niet meer samen.
De vader bleef erflaatster echter opzoeken, zowel in haar woning als bij haar werk.
Zij was bang voor hem en verbleef veelvuldig bij familie en vrienden.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de bewijslast van de ondubbelzinnige vergeving bij appellanten ligt, en dat niet is gebleken dat erflaatster de vader zijn gedragingen op ondubbelzinnige wijze heeft vergeven.
Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt deze – na een eigen afweging – tot de zijne.
In hoger beroep is geen sprake van feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel kunnen leiden.
Alleen het feit dat het huwelijk na de gedragingen van de vader en zijn veroordeling daarvoor is voortgezet, is daarvoor in ieder geval onvoldoende.
Voorts zijn gebeurtenissen die dateren van vóór de strafbare gedragingen, hier niet relevant.
Ook de van de zijde van appellanten in het geding gebrachte (schriftelijke) getuigenverklaringen, waaronder die van de vader zelf, zijn – ook als van het daarin verklaarde zonder meer wordt uitgegaan en als ervan wordt uitgegaan dat de vergeving reeds vóór 2014 zou hebben plaatsgevonden – onvoldoende om aan te nemen dat erflaatster de vader ondubbelzinnig had vergeven.
Uit deze verklaringen blijkt alleen dat erflaatster en de vader samen aanwezig waren bij sociale aangelegenheden.
Dat zij als ouders samen op bruiloften van hun kinderen waren en bij andere (familie)aangelegenheden zegt echter nog niets over of erflaatster de vader zijn gedragingen had vergeven.
Uit voornoemde getuigenverklaringen blijkt voorts dat geen van die getuigen wist van de strafrechtelijke veroordeling van de vader.
Bij gebreke van kennis over de strafrechtelijke veroordeling konden de getuigen ook geen (bewuste) kennis hebben van een eventuele vergeving door erflaatster van de aan die veroordeling ten grondslag liggende gedragingen van de vader.
Sterker nog, er blijkt uit dat de getuigen maar zeer beperkt op de hoogte waren van de situatie van erflaatster.
Het hof acht die kennis wel degelijk relevant bij de beoordeling van de getuigenverklaringen.
Ook ontbrak bij deze getuigen wetenschap over de, niet door de vader als zodanig weersproken, wens van erflaatster om van de vader te scheiden.
De van de zijde van geïntimeerden aangevoerde getuigen hadden, zo blijkt uit de (schriftelijke) getuigenverklaringen, wel kennis van zowel de veroordeling van de vader als de wens tot echtscheiding van erflaatster.
Uit die verklaringen blijkt dat erflaatster bang was voor de vader, dat zij het laatste halfjaar van haar leven daarom ook niet meer in haar woning woonde maar bij familie en vrienden verbleef, en dat zij vaak aan collega’s en familie vroeg om haar van werk naar huis te begeleiden.
Uit die verklaringen blijkt op geen enkele wijze van een ondubbelzinnige vergeving door erflaatster.
Voor zover appellanten in dit kader ook hebben willen aanvoeren dat erflaatster en de vader al die tijd (nog) hebben samengewoond, is het hof, voor zover dit al doorslaggevend zou zijn, van oordeel dat dit niet blijkt uit de getuigenverklaringen, noch uit de overgelegde stukken.
Uit de stukken blijkt dat de vader zich op 15 augustus 2005 op een ander adres heeft ingeschreven.
Dat dit, zoals appellanten stellen, slechts een inschrijving betrof die is gedaan uit financieel oogpunt, en niet een daadwerkelijke verhuizing betrof, is verder niet gebleken.
De vader heeft zich op 4 januari 2016 weer ingeschreven op het oude adres.
Dat dit met instemming van erflaatster is gebeurd, is door appellanten niet aangetoond.
De vader was op dat moment mede-eigenaar van de woning en kon zich dan ook inschrijven zonder instemming en wetenschap van erflaatster.
Anders dan de vader stelt, volgt hier naar het oordeel van het hof ook niet uit dat de vader vanaf dat moment ook daadwerkelijk op het adres heeft gewoond.
Uit de productie bij de wijziging van eis van 21 januari 2019 blijkt immers dat er in de periode van 14 september 2015 tot 22 januari 2016 geen elektriciteitsvoorziening in de woning was.
Appellanten hebben nog bewijs aangeboden door het horen als getuige van de vroegere buurman van de vader.
Appellanten hebben dit bewijsaanbod ter zitting toegelicht door te stellen dat de vroegere buurman in eerste aanleg niet wilde getuigen maar nu in hoger beroep wel.
Van de vroegere buurman is in eerste aanleg al wel een schriftelijke verklaring in het geding gebracht.
Nu appellanten in hoger beroep niet hebben aangegeven dat de vroegere buurman meer of anders kan verklaren dan hij reeds eerder heeft gedaan, gaat het hof aan dit bewijsaanbod voorbij (Hoge Raad 15 januari 2016, HR:2016:49).
Uit het vorenstaande volgt dat de vader onwaardig is om te erven van erflaatster.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.