Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft onlangs uitspraak gedaan over de voortzetting van een door de erflater uitgeoefende onderneming door een kind.

De erflaatster is overleden in 2016..

Erflaatster was gehuwd met de erflater, overleden in 2020.

Samen worden ze hierna ook ‘erflaters’ genoemd.

Verzoeker is de zoon van erflaters.

Verweerder is de zoon van verzoeker en dus de kleinzoon van erflaters.

Erflaatster heeft in haar testament van 5 juli 2010 erflater tot haar enig erfgenaam en tot executeur van haar nalatenschap benoemd.

Zij heeft ook bepaald dat wat erflater uit haar nalatenschap verkrijgt en bij zijn overlijden onverteerd achterlaat zal toevallen aan verweerder.

Verzoeker is door erflaatster onterfd.

Verzoeker heeft op 20 september 2019 een beroep gedaan op zijn legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster.

Erflater heeft in zijn testament van 5 juli 2010 en aanvullend testament van 5 februari 2019 verweerder tot zijn enig erfgenaam benoemd.

Erflater heeft verzoeker onterfd.

verzoeker heeft ook in de nalatenschap van erflater een beroep gedaan op zijn legitieme portie.

Verweerder heeft de nalatenschap van erflater beneficiair aanvaard.

Het hoger beroep van verzoeker richt zich tegen uitsluitend de afwijzing van zijn verzoek om verweerder te veroordelen tot overdracht aan verzoeker van de helft van het bedrijfspand tegen een nader vast te stellen redelijke prijs.

Erfrecht. Voortzetting van een door erflater uitgeoefende onderneming of bedrijf door een kind. Redelijke prijs. Uitoefening van bedrijf.  Werkzaam zijn bij onderneming. Legitieme. Aandelen.

De rechter oordeelt als volgt.

Verzoeker beroept zich op het bepaalde in artikel 4:38 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat artikel luidt als volgt:

“1. Op verzoek van een kind of stiefkind van de erflater kan de kantonrechter, mits daardoor een zwaarwegend belang van het kind of stiefkind wordt gediend en in vergelijking hiermede het belang van de rechthebbende niet ernstig wordt geschaad, de rechthebbende verplichten tot overdracht tegen een redelijke prijs aan het kind of stiefkind, dan wel diens echtgenoot, van de tot de nalatenschap of de ontbonden huwelijksgemeenschap behorende goederen die dienstbaar waren aan een door de erflater uitgeoefend beroep of bedrijf dat door het kind of stiefkind dan wel diens echtgenoot wordt voortgezet. Bij zijn beschikking kan de kantonrechter nadere regelingen treffen.”

Verzoeker is het niet eens met de overweging van de kantonrechter dat geen sprake is van voortzetting van een bedrijf dat erflater tot (kort voor) zijn dood uitoefende, omdat erflater op het moment van zijn overlijden al ongeveer 27 jaar niet meer het bedrijf voerde.

Volgens verzoeker kan onder meer uit de parlementaire geschiedenis worden afgeleid dat het geen voorwaarde is dat erflater het bedrijf tot (kort voor) zijn dood moet hebben uitgeoefend of tot zijn overlijden in het bedrijf werkzaam te zijn geweest.

Het pand was altijd dienstbaar aan het bedrijf van erflater en vanaf 1993 aan het door hem, verzoeker, voortgezette bedrijf van erflater.

Verzoeker heeft een zwaarwegend belang bij het pand, verweerder heeft het zelf niet nodig en verhuurt het daarom aan de B.V.

Nu verzoeker is onterfd door erflaters rest hem uitsluitend de mogelijkheid zich te beroepen op artikel 4:38 BW.

Verder is verzoeker het niet eens met de overweging van de kantonrechter dat hij inmiddels 68 jaar is en zijn dochter in 2022 zijn taken als manager zal overnemen en op termijn het bedrijf zal voorzetten.

Vanwege de onzekere situatie en de geschillen met verweerder heeft zijn dochter besloten om elders een baan te nemen.

Ook is verzoeker het niet eens met de overweging van de kantonrechter dat het de uitdrukkelijke wil van erflater was dat hij het bedrijfspand niet zou krijgen.

Er is juist altijd gezegd tegen hem en zijn echtgenote dat het bedrijfspand na het overlijden van erflater(s) hun zou toekomen.

Tot slot stelt verzoeker dat uit de overwegingen van de kantonrechter niet blijkt dat hij alle argumenten en stellingen van verzoeker in zijn oordeelvorming heeft betrokken en heeft afgewogen tegenover de belangen van verweerder.

Dan zou de kantonrechter tot de conclusie zijn gekomen dat zijn belangen zwaarden wegen dan die van verweerder.

De bestreden beschikking is ten aanzien van zijn verzoek om overdracht van de helft van het bedrijfspand tegen een redelijke prijs dan ook onvoldoende gemotiveerd door de kantonrechter, aldus verzoeker.

Verweerder voert verweer.

Hij stelt dat artikel 4:38 BW niet van toepassing is.

Erflater hoeft weliswaar niet tot aan zijn dood werkzaam te zijn geweest in het bedrijf, maar naast voortzetting is vereist dat het bedrijf tot de nalatenschap behoort en dat is niet het geval.

Daar komt bij dat het pand nooit onderdeel heeft uitgemaakt van het bedrijfsvermogen van erflater.

Het pand is altijd privéeigendom van erflater(s) geweest en er is een huurregeling met verzoeker getroffen.

Lid 2 van artikel 4:38 BW bepaalt hoe de regeling moet worden toegepast bij een naamloze of besloten vennootschap.

In dat geval kan hooguit om de overdracht van de aandelen, maar niet van goederen worden verzocht.

De aandelen zijn in deze zaak echter al in 1993 aan verzoeker overgedragen.

Volgens verweerder is het voor de voortzetting van het bedrijf van verzoeker niet nodig is om het bedrijfspand in eigendom te hebben.

Het is onwenselijk dat er een gemeenschap ontstaat tussen hem en verzoeker.

Er is een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd en verweerder is niet voornemens deze overeenkomst op te zeggen.

Er wordt wel geprocedeerd over de hoogte van de huur, omdat deze huur sinds de bedrijfsovername in 1993 nooit is verhoogd.

Partijen hebben zeer recent overeenstemming bereikt over de deskundige die moet worden benoemd om de huurprijs vast te stellen voor het pand in de huidige staat en in de staat nadat het achterstallige onderhoud is hersteld.

Verweerder voert verder aan dat hij bij verlies van het bedrijfspand de toekomstige huurpenningen misloopt.

Het lijkt erop dat de onderneming van verzoeker niet sterk genoeg is om een redelijke huurlast te kunnen dragen.

De overdracht tegen een redelijke prijs op grond van artikel 4:38 BW is niet bedoeld om de financiële positie van verzoeker te verbeteren of voortzetting van de onderneming alsnog mogelijk te maken.

Verzoeker zal gelet op zijn leeftijd het bedrijf niet nog jarenlang voortzetten en houdt zelfs al rekening met een verhuizing van zijn bedrijf, aldus verweerder.

Erflater(s) hebben al heel lang duidelijk aangegeven dat zij niet wilden dat verzoeker het bedrijfspand in eigendom zou krijgen na hun overlijden.

Er zijn rechtszaken tussen verzoeker en erflaters gevoerd in de periode van 2011 tot en met 2014 en in die procedures is door erflaters al uitdrukkelijk verklaard dat het bedrijfspand nooit van verzoeker zal zijn.

De kantonrechter is vanwege het feit dat artikel 4:38 BW niet van toepassing is in de situatie van partijen, op juiste gronden niet toegekomen aan een belangenafweging, aldus verweerder.

Het hof is van oordeel dat het verzoek van verzoeker om verweerder te verplichten tot overdracht aan verzoeker van de helft van het bedrijfspand tegen een nader vast te stellen redelijke prijs moet worden afgewezen omdat verzoeker geen beroep toekomt op artikel 4:38 lid 1 BW.

Het hof overweegt daartoe het navolgende.

Uit het arrest van dit hof op 29 april 2014 tussen verzoeker en erflaters gewezen blijkt dat in het bedrijfspand een garagebedrijf wordt uitgeoefend.

Tot 6 april 1993 werden de aandelen van de onderneming A gehouden door B B.V. waarvan erflater bestuurder en aandeelhouder was.

Op 6 april 1993 heeft B B.V. de aandelen van A verkocht en overgedragen aan C B.V. waarvan verzoeker bestuurder en enig aandeelhouder is.

Het bedrijfspand was eigendom van erflater.

A huurde het bedrijfspand van erflater ten behoeve van haar onderneming en bleef dat ook na de aandelenoverdracht doen.

Verzoeker was van jongs af aan werkzaam in de onderneming.

Erflater heeft in september 1993 zijn werkzaamheden voor de onderneming beëindigd.

Artikel 4:38 lid 1 BW beoogt – voor zover hier van belang – de voortzetting van een door erflater uitgeoefende onderneming door een kind van erflater te beschermen.

Die voortzetting zou in het gedrang kunnen komen als goederen van de nalatenschap die dienstbaar waren aan de onderneming van erflater door de erfgenamen aan een ander dan het de onderneming voortzettende kind zouden worden overgedragen.

In het onderhavige geval zet verzoeker echter geen onderneming voort die door erflater werd uitgeoefend.

Uit de overgelegde stukken is niet af te leiden wanneer en door wie A werd opgericht, vanaf welk moment de onderneming door A werd gevoerd en of de onderneming voordat zij door A werd gevoerd al door erflater werd gevoerd.

Uit die stukken blijkt echter wel dat de onderneming in ieder geval ten tijde van de aandelenoverdracht in april 1993 door A werd gevoerd en niet door erflater, dat verzoeker in ieder geval sinds april 1993 (al dan niet via C B.V.) enig aandeelhouder en bestuurder van A was en dat erflater zijn werkzaamheden voor de onderneming van A in september 1993 heeft beëindigd.

Erflater was aldus nagenoeg 27 jaar voor zijn overlijden niet meer als (in)direct directeur-grootaandeelhouder of medewerker bij A en/of de door die vennootschap gevoerde onderneming betrokken.

Verzoeker heeft er nog op gewezen dat – kort gezegd – uit de wetgeschiedenis van artikel 4:38 lid 1 BW blijkt dat niet is vereist dat de erflater de onderneming tot zijn overlijden moet hebben uitgeoefend, zodat de overdracht van de onderneming aan verzoeker in 1993 aan de toepassing van artikel 4:38 BW niet in de weg staat.

Dat vereiste kent de regeling van artikel 4:38 lid 1 BW inderdaad niet, maar uit de wetsgeschiedenis blijkt wel dat het vereiste niet is gesteld om een beroep op artikel 4:38 lid 1 BW ook mogelijk te maken in de gevallen waarin de erflater, bijvoorbeeld door ziekte, voor zijn overlijden de onderneming niet meer kon uitoefenen, dan wel de uitoefening moest opschorten (Parl. Gesch. Invoeringswet Boek 4, p. 1761 NW 5. en 1762 Nota NE.).

Voor een uitbreiding van die gevallen met de situatie dat, zoals in het onderhavige geval, de erflater al vele jaren en niet door buiten zijn macht gelegen omstandigheden daartoe gedwongen niet meer bij de onderneming betrokken was, biedt de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten.

Daar komt bij dat, zoals hiervoor werd overwogen, de onderneming in 1993 al door A en niet (meer) door verzoeker werd gevoerd.

Wettekst, jurisprudentie noch de wetsgeschiedenis biedt aanknopingspunten voor een vereenzelviging van de (in)directe directeur-(groot)aandeelhouder met ‘zijn’ vennootschap bij de toepassing van artikel 4:38 lid 1 BW.

Bovendien heeft niet verzoeker, maar C B.V. de aandelen van A verworven.

Ook aan de ‘voortzettende’ kant zouden daarom aanknopingspunten voor vereenzelviging van (in)direct directeur-(groot)aandeelhouder moeten zijn.

Dergelijke aanknopingspunten zijn niet gesteld en niet gebleken.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.