Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 14 maart 2023 uitspraak gedaan over de aansprakelijkheid van de erfgenaam-vereffenaar in hoedanigheid en in persoon.
Appellant en geïntimeerde zijn broer en zus van elkaar.
Samen met hun broer zijn zij de kinderen van de erflaatster, overleden in 2000, en de erflater, overleden in 2014.
Erflaatster en erflater waren in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.
Erflaatster heeft in haar laatste testament van 1984 de ouderlijke boedelverdeling op haar nalatenschap van toepassing verklaard.
Erflater heeft in zijn laatste testament van 18 april 2012 aan de zoon van geïntimeerde een bedrag van € 20.000 gelegateerd en appellant tot zijn enige erfgenaam en tot executeur benoemd.
Geïntimeerde en B en hun afstammelingen zijn door erflater onterfd.
Appellant heeft de nalatenschap van erflater onder het voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard.
Geïntimeerde heeft bij brief van 15 januari 2014 onder meer een beroep gedaan op haar legitieme portie in de nalatenschap van erflater.
Appellant heeft daar niet op gereageerd.
Bij brief van 2 juni 2014 heeft geïntimeerde betaling gevorderd van haar vordering uit hoofde van onderbedeling in de nalatenschap van erflaatster.
Die vordering is niet voldaan.
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank:
a. appellant veroordeeld zowel in hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van erflater als in persoon om aan geïntimeerde te betalen een bedrag van € 130.828,31, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van het bestreden vonnis (indien betaling geheel of gedeeltelijk uitblijft) tot de dag van de volledige betaling;
b. appellant veroordeeld zowel in hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van erflater als in persoon om aan geïntimeerde te betalen een bedrag van € 12.469, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van het bestreden vonnis (indien betaling geheel of gedeeltelijk uitblijft) tot de dag van de volledige betaling;
c. appellant zowel in hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van erflater als in persoon veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van geïntimeerde tot de datum van het bestreden vonnis door de rechtbank begroot op € 6.823,67;
Erfrecht. Vereffening. Ernstig en verwijtbaar tekortschieten als vereffenaar. Aansprakelijkheid van de erfgenaam-vereffenaar in hoedanigheid en in privé.
De rechter oordeelt als volgt.
Het gaat in deze procedure in hoger beroep om het volgende.
Appellant vordert vernietiging van het bestreden vonnis en is met drie grieven in hoger beroep gekomen van dat vonnis.
Het hoger beroep richtte zich aanvankelijk zowel op de veroordeling van appellant in hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van erflater als die in persoon.
Op de mondelinge behandeling heeft appellant laten weten dat, aangezien hij inmiddels geen vereffenaar meer is, zijn hoger beroep zich uitsluitend nog richt tegen het bestreden vonnis voor zover hij daarbij in persoon is veroordeeld om aan geïntimeerde te betalen.
Voor zover zijn hogere beroep ziet op zijn veroordeling in hoedanigheid van vereffenaar behoeft dat derhalve geen beoordeling meer.
Voorts heeft appellant op de mondelinge behandeling zijn derde grief ingetrokken.
Met die grief richtte appellant zich tegen (de hoogte van de) door de rechtbank vastgestelde vorderingen van geïntimeerde.
Dat betekent dat in dit hoger beroep van het bestaan van die vorderingen wordt uitgegaan.
Bij de beoordeling van de grieven van appellant dienen op grond van de zogenoemde ‘devolutieve werking’ van het hoger beroep de stellingen van geïntimeerde in de procedure bij de rechtbank te worden betrokken.
Dat in hoger beroep aan geïntimeerde verstek is verleend, doet daar niet aan af.
In zijn eerste grief betoogt appellant dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat het hof hem als vereffenaar heeft vervangen door X.
Dat appellant niet langer vereffenaar wilde zijn had hij de rechtbank al op 6 januari 2021 laten weten.
Bovendien heeft hij de beschikking van het hof van 1 april 2021 op 7 april 2021 aan de rechtbank gezonden, maar werd deze op 9 april 2021 geretourneerd.
In het bestreden vonnis lijkt de rechtbank vervolgens ervan uit te gaan dat appellant nog steeds vereffenaar is van erflaters nalatenschap.
Dat moet leiden tot vernietiging van het besteden vonnis, aldus appellant.
Het hof is van oordeel dat zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, niet begrijpelijk is waarom het feit dat appellant geen vereffenaar meer was op de datum waarop het bestreden vonnis is gewezen, zou moeten leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis.
Het verlies van appellant van zijn hoedanigheid van vereffenaar was wellicht een grond geweest voor schorsing van het geding, maar gesteld noch gebleken is dat schorsing op die grond (tijdig) is ingeroepen.
Dat betekent dat het geding in eerste aanleg niet anders dan op naam van appellant in zijn hoedanigheid van vereffenaar kon worden voortgezet (artikel 225 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering), zodat het bestreden vonnis terecht (ook) tegen appellant in hoedanigheid van vereffenaar van erflaters nalatenschap is gewezen.
De eerste grief faalt.
Met zijn tweede grief richt appellant zich tegen zijn veroordeling in persoon.
Appellant stelt dat hij niet, zoals de rechtbank heeft overwogen, ernstig en verwijtbaar is tekortgeschoten als vereffenaar van erflaters nalatenschap.
[appellant] stelt dat van een dergelijk tekortschieten geen sprake kan zijn omdat hij op grond van zijn psychische gesteldheid en vanwege een gebrek aan financiële middelen niet in staat was om de vereffening op een behoorlijke wijze uit te voeren.
Appellant verwijst daarvoor naar de rechtsoverwegingen van de beschikking van het hof van 1 april 2021 en, op de mondelinge behandeling in hoger beroep naar een beschikking van de kantonrechter van 27 januari 2020 in het kader van een procedure over de benoeming van een executeur tussen partijen gegeven.
Het hof is van oordeel dat appellant ernstig en verwijtbaar is tekortgeschoten als vereffenaar van erflaters nalatenschap.
Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank na eigen onderzoek over en maakt deze tot de zijne.
Ter bevordering van de leesbaarheid van dit arrest geeft het hof die overwegingen weer:
“Stand vereffening – aansprakelijkheid appellant voor schulden nalatenschap?
Uitgangspunt is dat appellant, die de nalatenschap heeft aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving, in persoon niet aansprakelijk is voor de schulden van de nalatenschap tenzij sprake is van een omstandigheid zoals vermeld in artikel 4:184 BW. Geïntimeerde heeft een beroep gedaan op dit artikel waarbij appellant als vereffenaar ingevolge artikel 4:184 1id 2 sub d BW verplicht is een schuld der nalatenschap te voldoen indien hij in de vervulling van zijn verplichtingen ernstig tekortschiet en hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Geïntimeerde heeft in dat kader aangevoerd dat appellant heeft bewerkstelligd dat uit de verkoopopbrengst de genoemde bedragen zijn voldaan. Appellant is de enige die als enig erfgenaam én vereffenaar de nalatenschap met deze betalingen kan hebben belast. Het betreft echter schulden die zijn ontstaan na datum overlijden erflater en zijn (daarmee) geen schulden ex 4:7 BW. Ook is volledig onduidelijk hoe het verloop is van de verhuurinkomsten van de tot de nalatenschap behorende onroerende zaken en ontbreekt iedere administratie, aldus geïntimeerde. Ter zitting is aandacht besteed aan de huidige stand van de vereffening en daarmee aan de taakvervulling van appellant als vereffenaar. Appellant heeft hierbij aangegeven dat een accountant nodig was om de huidige stand van de vereffening inzichtelijk te maken. Hiervoor heeft appellant na zitting akte kunnen nemen. Uit de geboden toelichting blijkt echter niet wat de stand van de vereffening is. Er is geen huidig saldo noch enig inzicht in hoe geldstromen hebben gelopen/dan wel hoe een saldo tot stand zou zijn gekomen. Appellant heeft daarbij aangegeven dat nog niet alle gegevens compleet zijn en dat hij niet bij machte is om de vereffening te volbrengen. Hij heeft daarom de rechtbank in een eerdere procedure verzocht een vereffenaar te benoemen. Dit is afgewezen en tegen deze beslissing dient thans een procedure in hoger beroep, aldus appellant. Nadat geïntimeerde een beroep heeft gedaan op artikel 4:184 BW is appellant in staat gesteld om ook hierop te reageren (na de zitting). Het verweer van appellant op de stelling van geïntimeerde is zeer summier. De rechtbank merkt op dat de verplichting om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren óók ziet op het verweer. Als dit verweer voorbij gaat aan logische conclusies of vragen oproept die juist de feitelijk betrokkene moet kunnen beantwoorden is het verweer onvoldoende onderbouwd. Appellant is degene die als erfgenaam én vereffenaar inzicht moet kunnen bieden in de stand van de vereffening én de betaling /verrekening van schulden aan derden en de oorsprong van deze schulden. De rechtbank merkt daarbij op dat de schulden zijn voldaan bij levering van een onroerende zaak en door de notaris vanuit de koopsom van die onroerende zaak. Appellant zou dus, met behulp van informatie van de notaris bijvoorbeeld, inzicht moeten kunnen verschaffen en onderbouwd verweer moeten kunnen voeren op de stellingen van geïntimeerde. Dat hij dit niet heeft gedaan, komt voor zijn risico. De enkele verwijzing naar het ingediende hoger beroepsschrift is overigens onvoldoende verweer. Het is aan partijen om hun stellingen te onderbouwen en daarbij specifiek te verwijzen naar van belang zijnde onderdelen van producties. Het is niet aan de rechtbank om de standpunten van partijen te onderbouwen met enig willekeurig deel van een productie. Partijen bepalen de rechtsstrijd, niet de rechtbank. De enkele verwijzing naar het beroepsschrift in zijn algemeenheid kan daarom niet tot onderbouwing van het verweer leiden. Een inhoudelijke taxatie van de feiten brengt de rechtbank ertoe dat geïntimeerde voldoende gesteld heeft om te oordelen dat appellant in zijn taak als vereffenaar ernstig tekort is geschoten én dat hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Hij heeft de betalingen van de niet tot de nalatenschap horende schulden toegestaan of bewerkstelligd terwijl er schuldeisers van de nalatenschap zijn die óók moeten worden voldaan. Bovendien geeft hij hierover geen enkele uitleg. Ook ontbreekt nog steeds -vele jaren na het overlijden van erflater – ieder overzicht van de vereffening. Onduidelijk is wat er met huurinkomsten is gebeurd en wat de grondslag is voor betalingen aan derden. De enkele mededeling dat hoe dan ook geen positief saldo aanwezig is, is onvoldoende. Met bovenstaand schiet appellant in ernstige mate tekort in zijn taak als vereffenaar en dit kan hem worden verweten. Hij is hierdoor aansprakelijk voor de schulden van de nalatenschap. Dit brengt met zich dat appellant in persoon ook zal worden veroordeeld tot betaling van de in dit vonnis vastgestelde bedragen.”
Het hof overweegt in aanvulling daarop nog het volgende.
Uit gemelde beschikking van de kantonrechter van 27 januari 2020 blijkt niet meer dan dat aan appellant ontslag als executeur wordt verleend als executeur van erflaters nalatenschap ‘nu appellant zelf om zijn ontslag heeft gevraagd omdat het hem vanwege de complexiteit van de nalatenschap niet gelukt is de nalatenschap op een juiste wijze af te wikkelen en een boedelbeschrijving op te stellen.”
Uit die beschikking blijkt niet dat de psychische gesteldheid en/of de financiële gesteldheid van appellant hem de uitoefening van zijn taken als executeur belemmerden.
Een dergelijke belemmering is ook geen voorwaarde voor een ontslag als executeur, aangezien een dergelijk ontslag (op eigen verzoek steeds wordt verleend (artikel 4:149 lid 1 aanhef en letter f en lid 2 van het Burgerlijk Wetboek).
Zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, is bovendien niet begrijpelijk op welke wijze een op eigen verzoek verkregen ontslag als executeur zou moeten leiden tot de conclusie dat het enige maanden later tekortschieten in de taakuitoefening als vereffenaar niet ernstig en verwijtbaar kan zijn.
Het hof overweegt daarbij dat appellant op geen enkele wijze zijn stelling heeft onderbouwd dat zijn psychische gesteldheid hem in zijn taakuitoefening als executeur en – later – als vereffenaar belemmerde: medische informatie waaruit die gesteldheid zou kunnen worden afgeleid ontbreekt.
Met de enkele verwijzing naar de rechtsoverwegingen van de beschikking van het hof van 1 april 2021 heeft appellant zijn stelling dat hij op grond van zijn psychische gesteldheid en vanwege een gebrek aan financiële middelen niet in staat was om de vereffening op een behoorlijke wijze uit te voeren, onvoldoende onderbouwd.
Mede in het licht van het partijdebat in eerste aanleg en de ernst van het tekortschieten in zelfs de meest basale taken van een vereffenaar (het hof verwijst ter bekorting naar de hiervoor weergegeven overweging van de bestreden beschikking) had van appellant mogen worden verwacht dat hij in dit hoger beroep zijn psychische gesteldheid nader had toegelicht.
Zoals hiervoor geconstateerd ontbreekt medische informatie daarover.
Voor zover appellant met de enkele verwijzing naar de beschikking van het hof van 1 april 2021 heeft beoogd een beroep te doen op het gezag van gewijsde faalt dat beroep, aangezien de beschikking van 1 april 2021 niet is gegeven in een procedure tussen appellant en geïntimeerde.
Ook de tweede grief faalt.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.