De Rechtbank Gelderland heeft op 25 augustus 2021 uitspraak gedaan over de vraag of schulden uit een ontbonden huwelijksgemeenschap, die deels in de nalatenschap vielen, verjaard waren.
Gedaagden hebben gesteld dat uit het testament van erflater volgt dat erflaatster het vruchtgebruik had over de gehele nalatenschap van erflater en dat erflaatster de schulden van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap voor haar rekening zou nemen en zou voldoen.
Erfrecht. Verjaring. Vruchtgebruik. Schulden uit een ontbonden huwelijksgemeenschap. Opeisbaarheid. Kwijting. Schenking. Verrekening. Natuurlijke verbintenis.
De rechter oordeelt als volgt.
Erflaatster had hiermee ook het vruchtgebruik over de schuld aan gedaagden.
Volgens gedaagden is de schuld van erflater hiermee de schuld van erflaatster geworden en is daarmee pas opeisbaar ná het overlijden van erflaatster.
Deze stelling wordt door de rechtbank gepasseerd.
Juist is dat erflaatster het recht van vruchtgebruik over de nalatenschap van erflater bij testament had verkregen en dat erflaatster de schulden zou voldoen.
Nog daargelaten of het vruchtgebruik ook daadwerkelijk gevestigd is, brengt het vruchtgebruik niet met zich dat erflaatster in de plaats trad van erflater als contractspartij en dat daarmee de reeds overeengekomen opeisbaarheid van de schenking veranderde.
Erflaatster was gehouden de opeisbare schulden van erflater te voldoen.
Tot die schulden behoorde de schenking aan gedaagde.
Die is toen evenwel niet opgeëist.
Het beroep van gedaagde op de uitspraak van het Hof Amsterdam mag hem niet baten.
In dat geval ging het om een schuldigerkenning waarbij de som opeisbaar was bij het overlijden van de langstlevende.
Dat is hier niet het geval; de opeisbaarheid ontstond op het moment van overlijden van vader, het vruchtgebruik verandert hier niets aan.
Ook de stelling van gedaagde dat door de huwelijksgoederengemeenschap de schenking voor de helft in het vermogen van erflater en voor de andere helft in het vermogen van erflaatster viel en daarmee voor de helft opeisbaar werd ná overlijden erflaatster wordt gepasseerd.
Ofschoon het uitgangspunt van toerekening binnen het huwelijksvermogen juist is, is daarmee niet gegeven dat bij overlijden van een contractspartij de overeengekomen opeisbaarheid verandert door toerekening van schulden binnen een gemeenschap.
De goederenrechtelijke werking van gemeenschap staat buiten de verbintenisrechtelijke verhouding waarin erflater en gedaagde tot elkaar stonden.
Overgang van een schuld door overlijden en erfopvolging brengt met zich dat de schuld opeisbaar is jegens de erfgenamen (in dit geval vruchtgebruikster) maar verandert niets aan de verbintenisrechtelijke opeisbaarheid; die blijft zoals overeengekomen bestaan.
Het is dan aan de schuldeiser om de schuld op te eisen binnen de verjaringstermijn.
Het verweer van eiser slaagt.
Op grond van artikel 3:307 BW verjaart een vordering tot nakoming vijf jaren nadat deze opeisbaar is geworden.
Dat is de datum van overlijden van erflater, zodat de vordering tot nakoming is verjaard op 13 november 2003.
Onbetwist is namelijk dat de vordering en de berekende rente pas in 2017, na overlijden erflaatster, zijn opgeëist door gedaagde.
Ook staat vast dat gedaagde de verjaring niet heeft gestuit.
Dit geldt ten aanzien van de hoofdsom én de rente, die op grond van artikel 3:308 BW immers ook verjaard na vijf jaren nadat zij opeisbaar is geworden.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zoals door gedaagde gesteld.
Eisers hebben in dat kader aangevoerd dat de schenkingsakte tot stand is gekomen omdat erflater maximaal gebruik wilde maken van de fiscale mogelijkheden en vrijstellingen.
Alle kinderen werden gelijk behandeld.
Vader had de kindrekeningen in beheer en gebruikte deze ook voor fiscale doeleinden. Niemand heeft uiteindelijk profijt gehad van “zijn” kindrekening omdat vader die ook weer leeg heeft gehaald.
Eisers en gedaagden hebben een schenking ontvangen, waarschijnlijk omdat er te weinig contanten waren om te storten op de kindrekeningen.
Op de andere kindrekeningen is namelijk een bedrag gestort ten tijde van de schenkingsakte.
Gedaagden hebben toen de schenking op papier gekregen.
Uiteindelijk heeft niemand de schenkingen daadwerkelijk ontvangen.
Dat geen der kinderen daadwerkelijk financieel voordeel zou genieten was ook de bedoeling en daarmee ook de reden dat moeder de schenkingsakte niet in de nalatenschap van vader heeft betrokken.
Daarmee zouden eisers namelijk, in weerwil van de bedoeling, bevoordeeld worden boven de andere kinderen. Ook eiser heeft deze nooit ontvangen en heeft daar geen beroep op gedaan omdat op die manier een ongelijkheid zou ontstaan.
Gedaagde heeft gesteld dat eiser zelf erkend heeft dat zij de schenking heeft ontvangen maar ter zitting is door de echtgenoot van eiser toegelicht dat dit iets anders betrof.
Erflater en erflaatster hebben een lening kwijtgescholden aan eiser en haar echtgenoot en de andere kinderen gecompenseerd door voor deze zes een lijfrentepolis af te sluiten. Dat deze zijn afgesloten is ook door alle partijen bevestigd ter zitting.
De rechtbank stelt vast dat eiser “haar” schenking ook niet heeft ontvangen en dat dit mede de verder onbetwiste uitleg van eiser onderbouwd.
Voor zover gedaagde nog heeft willen stellen dat – indien de schenking uit hoofde van de schenkingsakte niet aan gedaagde zou moeten worden uitbetaald – de aan eiser gedane schenkingen door erflater en erflaatster zouden moeten worden ingebracht in de nalatenschap van erflater – heeft hij dit onvoldoende onderbouwd en bovendien geen rechtsgevolg aan verbonden.
Eisers hebben de door gedaagden opgevoerde schenkingen overigens betwist en gedaagden hebben ze niet nader onderbouwd.
Op grond van het oude erfrecht, zoals dit gold ten tijde van het overlijden van erflater, bestond een verplichting tot inbreng van giften.
Deze vordering is verknocht aan de vordering tot verdeling en verjaart in beginsel niet, zoals gedaagden met juistheid stellen.
Eisers hebben onder meer gewezen op de verdeling van de nalatenschap van erflater middels de akte van verdeling.
In dit geval stelt de rechtbank vast dat partijen in de verdelingsakte de nalatenschap van erflater hebben verdeeld.
In de verdelingsakte zijn geen schenkingen genoemd.
Partijen hebben elkaar kwijting verleend ten aanzien van de verdeling.
Het had op de weg van gedaagden gelegen om onderbouwd te stellen waarom deze kwijting niet zou gelden en er sprake zou moeten zijn van inbreng van alle schenkingen in de nalatenschap van vader als de schenking van gedaagde thans niet wordt uitbetaald.
Dit hebben gedaagden nagelaten en dat komt voor hun risico.
Gedaagden hebben voorts gesteld dat indien de vordering van gedaagde op uitbetaling van de schenking verjaard is deze verrekend kan worden met hetgeen gedaagde schuldig is aan de nalatenschap van erflaatster.
Ieder van de kinderen heeft namelijk een schuld aan de boedel uit hoofde van de akte van verdeling.
Gedaagde doet hierbij een beroep op artikel 6:131 BW.
Eisers hebben aangevoerd dat een dergelijke bevoegdheid niet bestaat omdat de vordering van gedaagde uit hoofde van de schenkingsakte reeds was verjaard toen de vordering van de boedel op gedaagde uit hoofde van de akte van verdeling opeisbaar werd.
Hier is door gedaagden niet nader gereageerd.
De rechtbank is van oordeel dat gedaagden in dit geval geen beroep kunnen doen op artikel 6:131 BW.
Zoals in het voorgaande is geoordeeld is de vordering van gedaagden uit hoofde van de schenkingsakte verjaard in 2003.
De vordering van erflaatster (en haar nalatenschap) op de kinderen (waaronder gedaagde) uit hoofde van de akte van verdeling is opeisbaar bij overlijden van erflaatster.
Gesteld noch gebleken is dat voldaan is aan eerdere opeisbaarheid zoals voorgeschreven door artikel 2 van de geldlening in de akte van verdeling, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de stelling van eisers ter zake.
Dit betekent dat de vordering van gedaagde reeds was verjaard op het moment dat de vordering van de boedel op gedaagde opeisbaar werd.
Dit staat toepassing van 6:131 BW in de weg omdat op geen enkel moment sprake is geweest van een situatie zoals bedoeld in artikel 6:127 BW en er daarom geen verrekeningsbevoegdheid heeft bestaan of bestaat.
Het beroep op verrekening faalt.
Gedaagden hebben ook nog gereageerd op de door eiser aangevoerde bij hen bij dagvaarding bekende verweren van gedaagden dat sprake is van een natuurlijke verbintenis die resteert na verjaring van de schenking maar gedaagden hebben deze stelling niet zelf ingenomen noch uitgewerkt, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat.
Overigens geldt dat gedaagden met juistheid stellen dat na verjaring een natuurlijke verbintenis resteert.
Deze kán in de nalatenschap worden betrokken maar enige vordering daartoe is de schuldeiser ontzegd op basis van de wet, vorderingen tot nakoming zijn immers op natuurlijke verbintenissen niet van toepassing (artikel 6:4 BW), zodat enige verplichting de natuurlijke verbintenis na te komen ontbreekt.
Van enige dringende morele verplichting die uit de akte van schenking zou volgen is niets gesteld noch gebleken.
Enig beroep op nakoming van een natuurlijke verbintenis is niet gedaan.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over verjaring in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.