De Rechtbank Noord-Holland heeft op 14 april 2021 uitspraak gedaan over een legaat van vruchtgebruik van een woning en het recht van de legataris op de huurpenningen.
Op 3 juli 2017 is overleden de erflater.
Eiseres was de partner van de erflater.
Gedaagde is een meerderjarig kind van de erflater.
Gedaagde is samen met zijn broer en zijn zus erfgenaam van de erflater.
Deze zaak draait om de vraag of eiseres krachtens de huurovereenkomst en het bij testament ten gunste van haar gevestigde vruchtgebruik recht jegens gedaagde heeft op betaling van huurpenningen.
Als dit het geval is, moet de kantonrechter de betalingsachterstand begroten en daarbij ingaan op de vraag of de eventueel door gedaagde te betalen huurprijs ieder jaar kan worden geïndexeerd.
De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde gehouden is om de huurpenningen aan eiseres te betalen en dat de huurprijs jaarlijks moet worden geïndexeerd.
Erfrecht. Legaat van vruchtgebruik woning in testament. Recht op huurpenningen? Indexering van de huurprijs? Huurachterstand.
De rechter oordeelt als volgt.
In beginsel heeft eiseres op grond van haar vruchtgebruik recht op afdracht van de uit de huurovereenkomst voortvloeiende huurpenningen.
Deze aanspraak gaat niet met terugwerkende kracht te niet door c.q. met ingang van het overlijden van de erflater.
Gedaagde is na effectuering van het ten behoeve van hem toegekende legaat bloot-eigenaar van de winkelruimte en verhuurt deze de facto aan zichzelf.
Ter zake de huurovereenkomst is hij als schuldenaar en schuldeiser tegelijk te beschouwen.
In een dergelijke situatie gaat de verbintenis tot betaling van de huur weliswaar teniet, maar dit kan niet aan een derde als eiseres worden tegengeworpen en laat de aanspraak van eiseres krachtens het vruchtgebruik onverlet.
Aldus moet de kantonrechter de huurachterstand vaststellen.
De kantonrechter zal ook bepalen of de maandelijks te betalen huurtermijnen moeten worden geïndexeerd.
De kantonrechter overweegt als volgt.
Bij dagvaarding heeft eiseres gesteld dat de maandelijkse huurprijs tot en met december 2019 € 2.365,50 bedraagt en dat met ingang van januari 2020 en juli 2020 de huurprijs moet worden geïndexeerd tot € 2.940,31 respectievelijk € 2.969,71.
Gedaagde heeft bij conclusie van antwoord slechts de indexatie betwist.
Ter zitting heeft eiseres haar stellingen gewijzigd in die zin dat zij thans stelt dat de te betalen huursom (inclusief indexatie) € 2.823,40 (met ingang van juli 2017), € 2.871,40 (met ingang van juli 2018), € 2.940,31 (met ingang van juli 2019) en € 2.969,71 (met ingang van juli 2020) bedraagt.
Ter onderbouwing heeft eiseres bij deze gelegenheid nog naar voren gebracht dat het tussen de erflater en gedaagde gebruikelijk was dat gedaagde van de verschuldigde huursom een bedrag van € 2.365,15 daadwerkelijk betaalde en dat het restant (de indexaties) werd verrekend in de rekening-courant verhouding met de vennootschap onder firma.
Gedaagde, die in de gelegenheid is gesteld om op dit ter zitting gevoerde betoog bij akte te reageren, heeft dit alles niet weersproken.
Derhalve staat als ongemotiveerd betwist vast dat de door gedaagde te betalen huur periodiek moet worden geïndexeerd.
Daarbij komt dat ook in de destijds op schrift gestelde huurovereenkomst een indexatiebeding voorkomt.
De door eiseres in de pleitnota opgenomen specificatie van de huurachterstand is door gedaagde ook voor het overige niet inhoudelijk weersproken en kan als uitgangspunt dienen bij de begroting van de huurachterstand.
Daarvan uitgaande kan de huurachterstand tot en met februari 2021 worden begroot op een bedrag van € 26.203,72.
Gedaagde is betaling van dit bedrag aan eiseres verschuldigd.
Hieraan doet niet af dat hij een vordering heeft op de nalatenschap van de erflater.
Voor zover gedaagde zich op verrekening beroept, is dit beroep ongegrond, omdat eiseres geen erfgenaam is van de erflater en niet persoonlijk aansprakelijk is voor een eventuele nalatenschapsschuld.
Voor zover gedaagde zich als verweer erop beroept dat eiseres een op haar krachtens artikel Ic van het testament rustende verplichting heeft geschonden, heeft gedaagde onvoldoende gesteld.
Hierbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat artikel Ic van het testament geen verplichting voor eiseres inhoudt om nalatenschapsschulden te betalen maar om op eerste verzoek van een hoofdgerechtigde als gedaagde goederen van de nalatenschap te verkopen teneinde de erfgenamen in staat te stellen om deze op hen rustende schulden te voldoen.
Gedaagde heeft niet gesteld of en zo ja wanneer hij een dergelijk verzoek aan eiseres heeft gedaan.
Het gevorderde bedrag van € 26.203,72 ligt voor toewijzing gereed.
Omdat eiseres pas gedurende deze procedure in staat is geweest haar vordering deugdelijk te begroten, zal de kantonrechter de over dit bedrag verschuldigde rente toewijzen vanaf 14 dagen na heden.
Bij gebrek aan een deugdelijke grondslag ligt de vordering tot betaling van de toekomstige huurtermijnen voor afwijzing gereed.
Uit het voorgaande volgt dat de huurprijs jaarlijks moet worden geïndexeerd.
Eiseres heeft voldoende belang bij de hierop ziende vordering tot afgeven van een verklaring voor recht.
De gevorderde verklaring zal worden afgegeven
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over vruchtgebruik in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.