De Rechtbank Amsterdam heeft op 13 januari 2021 uitspraak gedaan over de zogenaamde actio Pauliana die was ingesteld door de schuldeisers van de nalatenschap vanwege een gestelde bewuste benadeling van de schuldeisers van de nalatenschap.
Eiseres vordert een verklaring voor recht dat sprake is van paulianeus handelen en vernietiging van de schenkingsovereenkomst, indien mocht blijken dat het vermogen van erflater/de nalatenschap dusdanig ontoereikend is dat reeds thans komt vast te staan dat de vordering (inclusief rente) van eiseres als erfgenaam in de nalatenschap van erflater niet zou kunnen worden voldaan.
De kern van de discussie tussen partijen ziet op de vraag of gedaagde met het sluiten van de schenkingsovereenkomst Paulianeus heeft gehandeld in de zin van artikel 3:45 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Eiseres stelt – samengevat – dat dit mogelijk het geval is, omdat haar (thans niet-opeisbare) geldvordering op gedaagde uit hoofde van de nalatenschap van erflater als gevolg van de schenkingsovereenkomst mogelijk niet kan worden voldaan.
Zij wenst dat, nadat het vermogen van gedaagde is vastgesteld en is gebleken dat daartoe aanleiding bestaat, de schenkingsovereenkomst wordt vernietigd.
Gedaagden betwisten (afzonderlijk) dat overige gedaagde Paulianeus heeft gehandeld.
Zij stellen daarnaast dat gedaagde ingevolge de van toepassing zijnde wettelijke verdeling de beschikking heeft verkregen over de gehele nalatenschap van erflater en dat zij daarvan ongestoord mag voortleven als voorheen.
Ook stellen gedaagden dat zolang overige gedaagde leeft niet kan worden beoordeeld of eiseres daadwerkelijk is benadeeld in de zin van voornoemd artikel.
Erfrecht. Benadeling van schuldeisers van de nalatenschap. Actio Pauliana. Langstlevende echtgenoot heeft vrijheid om over nalatenschap te beschikken.
De rechter oordeelt als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat de hoogte van de geldvordering van eiseres op gedaagde op dit moment nog niet vaststaat.
Ingevolge het testament van erflater dienden de geldvorderingen van onder meer eiseres binnen een jaar na het overlijden van erflater te worden vastgesteld bij notariële akte, maar dit is niet gebeurd.
De waarde van de geldvordering van eiseres is in de aangifte voor het recht van successie vastgesteld op € 357.891,50, maar dit bedrag is door gedaagden gemotiveerd betwist.
Nu in de onderhavige procedure geen vaststelling van de hoogte van de geldvordering is gevorderd en tussen partijen daarover geen overeenstemming bestaat, kan evenmin worden vastgesteld of die geldvordering bij het opeisbaar worden al dan niet kan worden voldaan.
Reeds om die reden kan eiseres in haar stelling dat zij (mogelijk) wordt benadeeld in haar verhaalsmogelijkheden niet zonder meer worden gevolgd.
Maar ook als wordt uitgegaan van de door eiseres gestelde hoogte van haar geldvordering, kan op dit moment niet worden beoordeeld of sprake is van Paulianeus handelen in de zin van artikel 3:45 lid 1 BW. Daartoe wordt als volgt overwogen.
Zoals in het vonnis in incident is overwogen blijkt uit de parlementaire geschiedenis van het huidige erfrecht dat de wetgever met de wettelijke verdeling heeft beoogd om de langstlevende echtgenoot na het overlijden van diens huwelijkspartner de beschikking te geven over de gehele nalatenschap, om zo de langstlevende echtgenoot in staat te stellen om ongestoord voort te kunnen leven zoals voorheen.
Daaruit volgt dat de langstlevende echtgenoot de uit de nalatenschap verkregen goederen niet alleen kan aanwenden voor eigen gebruik, maar deze ook kan bezwaren of vervreemden.
De langstlevende echtgenoot behoeft daarover aan de kinderen geen rekening en verantwoording af te leggen.
Dat betekent in het onderhavige geval dat gedaagde in beginsel vrij mag beschikken over de goederen die zij van erflater heeft verkregen, zoals de woning en de effectenportefeuille.
Deze vrijheid is echter niet onbegrensd; het wordt afgebakend door de grenzen van het leerstuk van misbruik van bevoegdheid en, zoals eiseres betoogt, artikel 3:45 BW.
Op grond van deze bepaling is een rechtshandeling vernietigbaar indien een schuldenaar bij het verrichten van een onverplichte rechtshandeling wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden het gevolg zou zijn.
Het moet daarbij gaan om daadwerkelijke benadeling (zie Hoge Raad, HR:2003:AI0369).
Zoals ook in het vonnis in incident is overwogen ligt het voor de hand dat in beginsel pas bij het opeisbaar worden van de geldvordering definitief kan worden vastgesteld of deze kan worden voldaan.
De waarde van het vermogen van gedaagde is immers aan veranderingen onderhevig, nu gedaagde bij leven daarover logischerwijs kan en zal beschikken.
Zelfs als zou blijken dat het vermogen van gedaagde op dit moment ontoereikend is om de geldvordering van eiseres te kunnen voldoen, hetgeen nog allerminst vaststaat, heeft dat niet noodzakelijkerwijs tot gevolg dat die geldvordering bij het opeisbaar worden niet kan worden voldaan.
Echter, ook de schuldeiser van een vordering onder opschortende voorwaarde kan in bepaalde gevallen een geslaagd beroep doen op artikel 3:45 BW.
De schuldeiser dient dan, bij gemotiveerde betwisting door de schuldenaar, aannemelijk te maken dat een voldoende concrete kans bestaat dat de voorwaarde wordt vervuld en de vordering opeisbaar wordt en dat in dat geval zijn verhaal wordt benadeeld door de gewraakte rechtshandeling (zie Hoge Raad, HR:2002:AD9618).
Vaststaat dat de geldvordering van eiseres op enig moment opeisbaar zal worden.
Maar ingevolge artikel 150 Rv ligt het op de weg van eiseres om feiten te stellen (en indien nodig te bewijzen) waaruit blijkt dat een voldoende concrete kans bestaat dat zij in haar verhaalsmogelijkheden is benadeeld (en dat overigens ook aan de andere voorwaarden van artikel 3:45 BW is voldaan).
De opmerking dat ‘mogelijk’ Paulianeus is gehandeld, maar dat dit zal moeten blijken uit door gedaagde over te leggen stukken is daartoe onvoldoende.
Weliswaar heeft eiseres gesteld dat het op de weg van gedaagde ligt om inzage te geven in haar financiële situatie, teneinde eiseres duidelijkheid te geven over de vraag of haar geldvordering te zijner tijd kan worden voldaan.
Maar bij vonnis in incident is daarover reeds geoordeeld dat onvoldoende aanleiding bestaat om gedaagde te verplichten tot overlegging van haar financiële gegevens, waarbij onder meer van belang was dat gedaagde de vrijheid heeft om over de nalatenschap te beschikken en dat zij aan de kinderen geen rekening en verantwoording schuldig is.
Aan haar vordering in de hoofdzaak tot vaststelling van het vermogen van gedaagde heeft eiseres geen andere feiten ten grondslag gelegd dan die zij ook al in incident heeft aangevoerd.
Onder verwijzing naar hetgeen daarover bij incidenteel vonnis is overwogen, behoeft gedaagde daarom in de hoofdzaak evenmin inzage in haar financiën te geven.
Daarbij is tevens van belang dat erflater blijkens zijn testament voor ogen heeft gehad dat gedaagde in vrijheid over de nalatenschap zou mogen beschikken.
Dit blijkt immers uit de bepaling dat gedaagde te allen tijde mag overgaan tot gehele of gedeeltelijke aflossing en/of rentebetaling aan één of meer van hun kinderen en dat de wilsrechten van de kinderen door erflater buiten spel zijn gezet.
Dat betekent dat de vraag of een voldoende concrete kans bestaat dat eiseres in haar verhaalsmogelijkheden wordt benadeeld geheel dient te worden beoordeeld aan de hand van hetgeen zij daaraan zelf ten grondslag heeft gelegd, te weten de schenkingsovereenkomst.
Voor zover eiseres ook heeft gesteld dat het bedrijf van erflater aan haar broers is geschonken en dat zij daardoor in haar verhaalsmogelijkheden wordt benadeeld, geldt dat die schenking door erflater is verricht en dus los staat van de vraag of gedaagde Paulianeus heeft gehandeld.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van een voldoende concrete kans op benadeling van eiseres.
De enkele omstandigheid dat gedaagden ieder de onverdeelde helft van de woning en het nabijgelegen perceel heeft geschonken tegen een waarde van € 385.000,00 maakt niet dat daarmee een voldoende concrete kans bestaat dat het vermogen van de andere gedaagde is geslonken tot een lager bedrag dan de door eiseres gestelde waarde van haar geldvordering.
Nog los van het feit dat, zoals hiervoor overwogen, het vermogen van gedaagde fluctueert, heeft eiseres immers ook erkend dat de nalatenschap – naast diverse andere vermogensbestanddelen – in ieder geval ook een effectenportefeuille omvat die de gestelde waarde van haar geldvordering ruimschoots overstijgt.
Niet is gesteld of gebleken dat deze effectenportefeuille door gedaagde is vervreemd, zodat de rechtbank aanneemt dat deze thans nog tot de nalatenschap behoort.
Overigens wordt opgemerkt dat óók indien dit anders zou zijn, dit nog niet tot gevolg heeft dat daarmee wel sprake zou zijn van Paulianeus handelen.
Gedaagde is zoals gezegd immers vrij om over de nalatenschap te beschikken en voor zover zij de effectenportefeuille wel heeft vervreemd ten nadele van eiseres geldt dat ook moet worden voldaan aan hetgeen hierna wordt besproken.
Zou, in afwijking van het voorgaande, wel worden aangenomen dat er een voldoende concrete kans op benadeling van eiseres bestaat, dan is voor vernietiging van de schenkingsovereenkomst op grond van Paulianeus handelen ook vereist dat gedaagde over de goederen van de nalatenschap heeft beschikt met geen ander doel dan eiseres in haar verhaalsmogelijkheden te benadelen, althans wist of behoorde te weten dat eiseres in haar verhaalsmogelijkheden zou worden benadeeld.
Dit moet echter terughoudend worden aangenomen (GHDHA:2019:3380).
Eiseres heeft in het geheel niet gesteld en toegelicht dat gedaagde de schenkingsovereenkomst is aangegaan met het doel om eiseres in haar verhaalsmogelijkheden te benadelen, althans dat zij wist of behoorde te weten dat eiseres in haar verhaalsmogelijkheden zou worden benadeeld.
Voor zover al uit haar standpunten moet worden opgemaakt dat dit zou blijken uit de omstandigheid dat gedaagde de woning en het nabijgelegen perceel heeft geschonken tegen een niet-marktconforme waarde, geldt dat gedaagden die stelling gemotiveerd hebben betwist.
Ook de door artikel 3:45 BW vereiste wetenschap van benadeling is dus niet komen vast te staan.
Het voorgaande brengt met zich dat voor vaststelling van het vermogen van gedaagde onvoldoende grond bestaat en dat niet is gebleken dat gedaagde met het sluiten van de schenkingsovereenkomst Paulianeus heeft gehandeld.
Bij die stand van zaken behoeft de vordering tot het stellen van zekerheid geen bespreking meer.
De vorderingen van eiseres zullen ten aanzien van gedaagden worden afgewezen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over benadeling van schuldeisers van een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.