Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Den Haag heeft op 16 januari 2019 uitspraak gedaan over de toepassing van de beginselen van de redelijkheid en billijkheid op de verdeling van een erfenis.
Procesvertegenwoordiging. Private bevoegdheid van de vereffenaar.
De rechter oordeelt als volgt.
Een vereffenaar in een nalatenschap heeft een privatieve bevoegdheid voor wat betreft vragen die de omvang en samenstelling van de nalatenschap betreffen. Dit betekent dat een vereffenaar als enige gerechtigd is om procedures te voeren over de omvang en samenstelling van de nalatenschap. Allereerst dient in deze procedure dan ook de vraag te worden beantwoord of de vereffenaar, op grond van de aan haar toegekende privatieve bevoegdheid, degene is die namens partijen in deze procedure moet optreden.
Het gaat in deze procedure ten aanzien van de nalatenschap van X om de vraag wie erven van X: zijn dat haar ouders, (half)broers en halfzus of is dat Y.
De rechtbank is van oordeel dat dit niet een vraag is die de omvang of samenstelling van de nalatenschap van X betreft, zodat voor de vereffenaar ten aanzien van deze rechtsvraag geen rol is weggelegd.
Voor wat betreft Y speelt de vraag of hij erfgenaam is van X. Dit is wel een rechtsvraag die van invloed is op de omvang en samenstelling van zijn nalatenschap. Geoordeeld zou dan ook kunnen worden dat de vereffenaar op grond van haar privatieve bevoegdheid namens de boedel van Y de procedure moet voeren. Daarnaar gevraagd tijdens de comparitie van partijen, heeft de vereffenaar gezegd dat zij de procedure niet wenst over te nemen namens de erven van Y.
Het oordeel van de rechtbank over wie erft van X heeft grote impact. Indien de rechtbank besluit dat Y de enig erfgenaam is van X, blijft de familie van X met lege handen achter en is zij afhankelijk van de welwillendheid van de erven van Y om nog iets van hun dochter te krijgen.
Gelet op deze impact, kan ook worden geoordeeld dat deze rechtsvraag meer is dan alleen een rechtsvraag omtrent de omvang van de nalatenschap van Y en uit dien hoofde eerder de erven van Y aangaat dan de vereffenaar van de nalatenschap van Y.
Nu de vereffenaar bovendien ervan afziet de procedure over te nemen, ziet de rechtbank, gelet op het voorgaande, geen aanleiding haar hiertoe op te roepen.
Verdeling van de erfenis. Beginselen van redelijkheid en billijkheid van toepassing?
De rechter oordeelt als volgt.
Als een overledene geen testament heeft opgesteld, bepaalt de wet wie erft.
Artikel 4:10 lid 1 onder a BW bepaalt dat als de overledene een echtgeno(o)t(e) en/of kinderen heeft, dezen erven van de erflater. Indien de overledene geen kinderen of echtgeno(o)t(e) (meer) heeft, bepaalt artikel 4:10 lid 1 onder b BW dat de ouders en de broers en zussen van de overledene erven.
Voor de beoordeling van dit geschil is ook van belang artikel 4:2 BW. Dit artikel bepaalt dat als de volgorde waarin twee of meer personen zijn overleden niet kan worden bepaald, ze geacht worden gelijktijdig te zijn overleden. In dat geval kan de ene persoon niet erven van de andere persoon die gelijktijdig is overleden en andersom.
Indien artikel 4:2 BW bij deze nalatenschappen kan worden toegepast is artikel 4:10 lid 1 onder a BW niet van toepassing.
Y en X kunnen dan, omdat ze gelijktijdig zijn gestorven, niet van elkaar erven.
Artikel 4:10 lid 1 onder b is dan van toepassing. De huwelijksgoederengemeenschap van Y en X wordt dan in twee gelijke delen verdeeld.
De ouders en (half)broers en halfzus van X erven het deel van X en de ouders en (half)broers van Y erven het deel van Y.
Gedaagden hebben een beroep gedaan op de beginselen van de redelijkheid en billijkheid en de rechtbank gevraagd te oordelen dat niet Y alles van X erft maar dat zij zelf de erfgenamen van X zijn.
Zij verwijzen daartoe onder meer naar jurisprudentie waarin de rechter, met een verwijzing naar de redelijkheid en billijkheid, rechtsgeldig opgemaakte uiterste willen opzij schuift dan wel wijzigt.
Uitgangspunt in het erfrecht is dat degene die overlijdt zelf kan bepalen, door het opmaken van een uiterste wil, aan wie hij/zij zijn/haar vermogen nalaat.
In de jurisprudentie waarnaar gedaagden verwijzen, gaat het steeds om een situatie waarin een testament is opgesteld, dat door de rechtbank wordt uitgelegd of waarvan wordt geoordeeld dat er geen beroep meer op kan worden gedaan.
Het resultaat is steeds dat diegene tot erfgenaam wordt aangewezen, waarvan de rechtbank van oordeel is dat de erflater dit zo had gewenst.
Met andere woorden geeft de door de rechtbank vastgestelde wil van de erflater, ook al heeft hij/zij een andersluidend testament opgesteld, de doorslag.
De rechtbank is van oordeel dat Y en X hebben nagedacht over een mogelijk overlijden. De rechtbank leidt dit af uit de omstandigheid dat zij op enig moment een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan. Geregistreerd partners erven immers van elkaar als waren zij echtgenoten.
Tevens leidt de rechtbank dit af uit de omstandigheid dat X op enig moment met haar moeder heeft gesproken over de omstandigheid dat zij mogelijk kwam te overlijden en Y achter zou blijven.
De wens van partijen was in dat geval kennelijk dat de overblijvende partij in het huis kon blijven wonen en zo zijn/haar leven zou kunnen voortzetten.
De rechtbank concludeert eveneens dat partijen niet hebben nagedacht over de mogelijkheid dat zij heel kort na elkaar zouden overlijden en de gevolgen die dat zou kunnen hebben voor hun bezittingen.
Zij is van oordeel dat indien partijen hierover wel zouden hebben nagedacht, zij in een testament hadden bepaald dat in de gegeven omstandigheden – waar geen van beide partners het vermogen nodig had om alleen verder te gaan – hun vermogen over beide families moest worden verdeeld. Zij baseert dit oordeel op de volgende overwegingen:
(i) beide families hebben tijdens de comparitie van partijen gezegd dat Y en X het woord “samen” belangrijk vonden en daarnaar wilden leven,
(ii) Y en X hebben samen hun vermogen opgebouwd en voor zover er al door één van beide families aan is bijgedragen, is dat door de familie van X in de vorm van de uitkering van een studieverzekering,
(iii) vaak wordt bij schenkingen binnen de familie bepaald dat het geschonken bedrag niet in enige huwelijksgoederengemeenschap valt en daardoor niet aan de ‘koude kant’ terecht komt. Indien Y van X zou erven, zou echter het gehele vermogen van X aan de voor haar ‘koude kant’ terecht komen.
Bij het oordeel van de rechtbank weegt verder nog mee dat in dit specifieke geval niet opgaan de genoemde argumenten op grond waarvan destijds is afgezien in de wet op te nemen dat ook bij zekerheid van volgorde van overlijden geen verkrijging krachtens erfrecht kan plaatsvinden indien de ene erfgena(a)m(e) de erflater slechts gedurende korte tijd overleeft.
In dit geval leidt het immers geen enkele twijfel dat Y zeer korte tijd na X is overleden en er kan redelijkerwijs niet aan getwijfeld worden dat X en Y zijn overleden ten gevolge van dezelfde gebeurtenis.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een zeer uitzonderlijke situatie: Partijen waren slechts twee weken getrouwd.
Zij hebben niet in een testament hun wensen inzake hun nalatenschap vastgesteld.
Als zij dat wel hadden gedaan hadden zij naar alle waarschijnlijkheid voor deze situatie iets anders bepaald dan de wettelijke regeling.
Zij zijn op zeer korte termijn na elkaar aan een zelfde oorzaak overleden.
Het onder deze omstandigheden vasthouden aan de wettelijke volgorde zoals opgenomen in artikel 4:10 sub a BW, waarbij het gehele vermogen van Y en X alleen bij de familie van Y terechtkomt, druist in tegen het rechtsgevoel en is, juridisch gezegd, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
Dit rechtsgevoel wordt ook gedeeld door eiseres, waar zij in de dagvaarding schrijft dat haar eis heel naar overkomt en dat de reactie van de nabestaanden van X emotioneel invoelbaar is, maar dat zij weinig anders kan dan de wet volgen, omdat afwijken hiervan volgens haar mogelijk, overigens niet met name genoemde, fiscale en juridische consequenties zou hebben.
Dit oordeel van de rechtbank betekent dat Y geen erfgenaam is in de nalatenschap van X, maar dat haar ouders tezamen met haar (half)broers en halfzus haar erfgenamen zijn, zoals bepaald onder artikel 4:10 sub b BW.
De vordering van eiseres dan ook worden afgewezen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament, over de taken en bevoegdheden van een executeur of van een vereffenaar, over de wettelijke verdeling of over de redelijkheid en billijkheid in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.