Voor de onterfde echtgenoot, voor de echtgenoot die achterblijft zonder recht op de echtelijke woning en voor de echtgenoot die niet in zijn of haar eigen levensonderhoud kan voorzien heeft de wetgever enkele speciale voorzieningen in het leven geroepen.

De langstlevende echtgenoot heeft altijd recht op vruchtgebruik van de gezamenlijke woning, mits die woning ook door beide echtgenoten gezamenlijk werd bewoond. Wanner de achterblijvende echtgenoot niet in zijn of haar levensonderhoud kan voorzien zijn er daarnaast mogelijkheden voor vruchtgebruik op andere goederen of op geldsommen. Dit wordt het verzorgingsvruchtgebruik genoemd.

Echter. Voor het vruchtgebruik op de woning hoeft niets gemotiveerd of onderbouwd te worden. De wetgever heeft gemeend dat bij voorbaat wel vaststaat dat de langstlevende een zwaarwegend belang heeft bij dat vruchtgebruik. Voor vruchtgebruik op andere goederen of op geldsommen is nodig dat daar aan behoefte bestaat. Die behoefte moet worden aangetoond.

Dat lukt niet altijd. Bij het Hof Arnhem-Leeuwarden was een zaak aan de orde waarin mevrouw geen aanspraak kon maken op het vruchtgebruik van de woning. Zij en haar overleden echtgenoot waren voorafgaand aan het overlijden van die echtgenoot al niet meer samen woonachtig in die woning. Er werd dus niet voldaan aan de voorwaarden.

Mevrouw deed wel een beroep op het verzorgingsvruchtgebruik. Het Hof oordeelde dat in casu mevrouw over voldoende middelen beschikte om in haar eigen levensonderhoud te voorzien en dat er dus geen behoefte was aan verzorgingsvruchtgebruik. Het Hof voegde daar aan toe dat het verzorgingsvruchtgebruik een “vangnet”” is, en dat de langstlevende niet bij voorbaat recht heeft om op dezelfde wijze en in dezelfde welstand te kunnen voortleven.

Lees hier de hele uitspraak.