Van onze advocaat executeur. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 26 juni 2018 uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid in hoger beroep van de tussenkomst van de executeur. Misbruik van procesrecht? Veroordeling werkelijk gemaakte proceskosten.
De erfgenaam en de executeur zijn de twee zonen van moeder en wijlen de vader.
Moeder en de twee zonen zijn erfgenamen van vader.
Bij de verdeling van de nalatenschap is de gehele nalatenschap toebedeeld aan moeder. De twee zonen als erfgenaam verkregen een geldvordering op moeder van destijds elk € 938.439,91. Erfgenaam heeft conservatoir beslag gelegd op de woning van moeder en onder verschillende banken.
In het bestreden vonnis vordert de erfgenaam in de hoofdzaak onder meer een voorwaardelijke veroordeling van moeder tot betaling van de geldvordering van de erfgenaam.
Omdat de erfgenaam conservatoir beslag heeft gelegd op de woning van moeder en onder verschillende banken vordert moeder in het incident onder meer dat de rechtbank bij provisioneel vonnis het conservatoir beslag zal opheffen.
De rechtbank heeft de incidentele vordering afgewezen en de hoofdzaak naar de rol verwezen voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een comparitie.
Tegen dit vonnis zijn moeder en de executeur ieder bij afzonderlijk dagvaardingsexploot in hoger beroep gekomen. De zaak waarin moeder in hoger beroep is gekomen van het bestreden vonnis is bij het hof bekend onder zaaknummer 200.230.960/01.
Bij genoemde rolbeslissing is de executeur in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de vraag waarom hij, terwijl hij geen partij was in het bestreden vonnis in incident, hoger beroep van dit vonnis heeft ingesteld.
De executeur heeft zich bij akte niet alleen over de ontvankelijkheid van het hoger beroep uitgelaten maar ook uitvoerig over de inhoud van de zaak. Tijdens het pleidooi heeft de advocaat zich met name uitgelaten over de feiten van de zaak en bijna niet, zoals door het hof bij aanvang gevraagd en tijdens het pleidooi herhaald, over de ontvankelijkheid van het hoger beroep.
Het hof zal thans beoordelen of de executeur ontvankelijk is in zijn hoger beroep. De overige stellingen laat het hof derhalve buiten beschouwing.
De executeur stelt primair dat hij ontvankelijk is in het hoger beroep en subsidiair, voor het geval hij niet-ontvankelijk wordt verklaard, dat zijn dagvaardingsexploot in hoger beroep dient te worden aangemerkt als een ter rolzitting van 16 januari 2018 bij het hof ingediende vordering van de executeur om tussen te komen in de procedure tussen moeder en erfgenaam.
Hij voert hiertoe aan dat hij in zijn hoedanigheid van executeur-testamentair tevens afwikkelingsbewindvoerder zijn moeder vertegenwoordigt. Volgens de executeur brengt artikel 322 Rv geen beperking met zich bij een vordering tot tussenkomst in hoger beroep op de voet van artikel 217 Rv jo artikel 6 EVRM.
Daarnaast stelt de executeur dat de vraag welke partij bij een civiele procedure wordt betrokken een essentieel onderdeel is van partijautonomie.
Volgens de executeur blijkt uit de procedures in eerste aanleg dat de erfgenaam ook executeur heeft willen betrekken. De rechter dient de partijautonomie te respecteren en zich lijdelijk op te stellen, aldus de advocaat van de executeur .
Tussenkomst executeur ontvankelijk in hoger beroep? Misbruik van procesrecht? Veroordeling werkelijk gemaakte proceskosten.
De rechter oordeelt als volgt.
Bij de beoordeling is uitgangspunt dat artikel 332 Rv meebrengt dat in beginsel alleen hoger beroep kan worden ingesteld door en tegen de processuele (weder)partij(en) in de eerste aanleg. In het bestreden vonnis was de erfgenaam eiser in de hoofdzaak en verweerder in het incident en moeder gedaagde in de hoofdzaak en eiseres in het incident.
De rechter ziet geen grond om in dit geval een uitzondering op deze hoofdregel toe te staan, zoals de executeur bepleit, omdat de uitzonderingen die uit de jurisprudentie en de doctrine blijken niet zien op een situatie als de onderhavige waarin naast de wederpartij (moeder) (ook) een mogelijk toegevoegd executeur, die in eerste aanleg geen partij was, hoger beroep kan instellen.
Ook al was de executeur vertegenwoordiger van zijn moeder, dan was het niet mogelijk dat hij in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger als toegevoegd executeur van zijn moeder in hoger beroep zou gaan omdat moeder zelfstandig ook al in hoger beroep was gegaan en zij dus niet vertegenwoordigd hoeft te worden. Nog daargelaten of de executeur nog wel kan worden beschouwd als executeur nu de verdeling heeft plaatsgevonden.
De advocaat van de executeur doet nog een beroep op partijautonomie, maar de rechter is van oordeel dat dat niet maakt dat men formele procespartij wordt. De ontvankelijkheid van een aangewend rechtsmiddel is immers onttrokken aan de partijautonomie.
Een beroep op artikel 6 EVRM doet aan het vorenstaande niet af aangezien moeder zelf in hoger beroep is gegaan en executeur niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij belang heeft om naast zijn moeder als vertegenwoordiger van zijn moeder toegang tot de rechter in hoger beroep te krijgen.
De rechter zal derhalve de executeur niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.
Proceskostenveroordeling
De erfgenaam heeft tijdens het pleidooi zijn eis gewijzigd in die zin dat hij de gevorderde daadwerkelijk gemaakte proceskosten ad € 2.009,93 inclusief btw verhoogt met de gemaakte kosten voor het pleidooi. De erfgenaam stelt dat de omvang van de kosten inmiddels in totaal meer bedragen dan € 6.500,-.
De rechter acht de vermeerdering van eis niet in strijd met een goede procesorde. De erfgenaam had reeds veroordeling van de executeur in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten gevorderd. Tijdens het pleidooi heeft de erfgenaam enkel toegelicht in hoeverre door hem in verband met het pleidooi daadwerkelijk proceskosten zijn gemaakt en dienovereenkomstig het gevorderde bedrag aangepast. De executeur is door die handelwijze niet onredelijk in zijn verdediging bemoeilijkt. De rechter zal uitgaan van de eis zoals vermeerderd tijdens pleidooi.
De executeur heeft de hoogte van de bedragen betwist en stelt dat in familiezaken de kosten gecompenseerd moeten worden.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 12 juni 2015, HR:2015:1600, NJ 2016/380; HR 15 september 2017, HR:2017:2360) bevatten de artikelen 237-240 Rv, behoudens bijzondere omstandigheden, een zowel limitatieve als exclusieve regeling van de kosten waarin de partij die bij arrest in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld.
Toekenning van een vordering tot volledige vergoeding van daadwerkelijk gemaakte proceskosten is slechts denkbaar indien sprake is van buitengewone omstandigheden, waarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad.
Conform jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 6 april 2012, HR:2012:BV7828 en HR 15 september 2017, HR:2017:2360 ) is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen (als grond voor een vergoedingsplicht ter zake van alle in verband met een procedure gemaakte kosten) eerst sprake, als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven.
Dit zal zich pas voordoen als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM.
In het onderhavige geval is naar het oordeel van de rechter sprake van misbruik van procesrecht.
De executeur had het instellen van het hoger beroep, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege moeten laten.
Tijdens het pleidooi, waarom executeur had verzocht, heeft de advocaat zich, ondanks dat de rechter er diverse keren op had gewezen dat het alleen over de ontvankelijkheid van de executeur in het door hem ingestelde hoger beroep ging, nagenoeg niet over de ontvankelijkheid uitgelaten. Tijdens het pleidooi heeft de advocaat wel erkend dat moeder in hoger beroep moest komen van het bestreden vonnis omdat hij anders namens de executeur helemaal geen beroep kon instellen.
In familiezaken worden de proceskosten normaliter gecompenseerd. Omdat de rechter echter van oordeel is dat sprake is van misbruik van recht zal de rechter, in afwijking van artikel 237 lid 1 Rv, de executeur in de daadwerkelijk door de erfgenaam gemaakte proceskosten in hoger beroep veroordelen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme, over de taken en bevoegdheden van een executeur, over het instellen van hoger beroep of van rechtsmiddelen of over misbruik van procesrecht en volledige proceskostenvergoeding, belt u dan gerust onze advocaat executeur op 020-3980150.