Van onze advocaat erfrecht. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 19 december 2017 uitspraak gedaan over de vraag of is bewezen dat erflater indertijd de gestelde overeenkomst tot betaling van een bepaald bedrag heeft gesloten ter compensatie van werkzaamheden. Ongerechtvaardigde verrijking?
In principaal hoger beroep heeft appellante vier grieven aangevoerd. Daarmee komt zij op tegen de afwijzing van haar aanspraak op € 30.000,- (grief 1) en het niet horen van getuigen (grief 2), tegen de overweging dat niet is gebleken dat appellante veel geld heeft geïnvesteerd ter verbetering van de woning en dat de vraag is of in de verhouding tussen partijen een vergoeding stond tegenover aan verbetering van de woning bestede uren (grief 3). Met grief 4 stelt zij dat de vordering van € 5.000,- ten onrechte is toegewezen.
Geïntimeerde heeft één genummerde en één verholen grief in incidenteel hoger beroep aangevoerd. Volgens haar was er geen reden de proceskosten te compenseren en wordt het hoger beroep nodeloos gevoerd, zodat appellante haar volledige advocaatkosten van € 1.612,50 moet betalen en de proceskosten. Het bedrag van € 5.000,- is op 6 januari 2016 opeisbaar geworden en vanaf die datum is appellante de wettelijke rente verschuldigd, aldus de advocaat van geïntimeerde.
Het hof zal de grieven zoveel mogelijk gezamenlijk bespreken.
Heeft erflater overeenkomst tot betaling van bedrag voor werkzaamheden aan woning gesloten? Gedane investering? Lening of schenking? Ongerechtvaardigde verrijking?
Met betrekking tot de € 30.000,- heeft appellante in haar memorie van grieven twee grondslagen aangevoerd. Primair beroept zij zich op een overeenkomst met erflater, die haar dat bedrag zou betalen zodra hij zijn huis had verkocht, als vergoeding voor door haar ten behoeve van de woning betaalde kosten en bestede arbeidsuren. Subsidiair grondt zij haar vordering op ongerechtvaardigde verrijking.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft appellante verklaard dat erflater haar dit bedrag zou schenken na verkoop van zijn woning. Dat het zou gaan om een compensatie voor investeringen van haar kant heeft zij eerder aangevoerd omdat zij van de notaris begreep dat zij er goed aan deed haar aanspraak te onderbouwen. Het hof beschouwt deze nieuwe grondslag (schenking) als een nieuwe grief, die in strijd met de ’twee-conclusieregel’ niet op het eerst mogelijke moment is gepresenteerd. Omdat ook niet is gebleken van een uitzondering die inbreuk op deze regel rechtvaardigt, laat het hof deze nieuwe grondslag buiten beschouwing.
Voor de gestelde overeenkomst (betaling zodra het huis is verkocht als compensatie voor investeringen van appellante) heeft appellante diverse schriftelijke verklaringen overgelegd. De verklaringen van haar familieleden betreffen een uitlating van erflater in 2009 tijdens een beraad van de familie van appellante. Appellante wilde van haar moeder geld lenen. Bij memorie van grieven heeft zij een schuldbekentenis overgelegd van 6 april 2009 waaruit blijkt dat zij € 4.500,- van haar moeder heeft geleend.
Volgens appellante wilde ook erflater geld van haar moeder lenen (in de pleitaantekeningen voor de comparitie bij de rechtbank staat dat erflater € 5.000,- van haar moeder wilde lenen, maar nadien heeft haar advocaat het, blijkens het proces-verbaal, gehad over € 2.000,-). Ook in de memorie van grieven staat dat erflater € 2.000,- van de moeder van appellante wilde lenen. De rechtbank heeft overwogen dat uit niets is gebleken dat dit ook gebeurd is, en ook in hoger beroep heeft appellante dat niet uitdrukkelijk gesteld en onderbouwd, laat staan dat zij daarvan concreet bewijs heeft aangeboden. Het hof gaat er dan ook van uit dat alleen appellante geld van haar moeder heeft geleend. Dit is gebeurd toen de samenwoning al een jaar verbroken was.
Uit de schriftelijke verklaringen van haar zussen E en F, schoonzus G en broer H blijkt dat erflater op 8 maart 2009 tijdens het familieberaad heeft gesproken over de betaling van € 30.000,- die hij aan appellante zou doen na verkoop van zijn huis, omdat de geldlening van appellante aan de orde kwam. Gelet daarop is kennelijk de strekking van de mededeling van erflater geweest dat appellante die lening zou kunnen terugbetalen met geld dat zij van erflater zou ontvangen. De verklaringen vermelden niets over de reden waarom appellante dat geld zou ontvangen of over eventuele voorwaarden.
Getuige I, die ook bevriend was met erflater, heeft over een uitlating van erflater op een ander moment geschreven: “Tevens gaf hij te kennen dat als hij bij leven zijn huis zou verkopen [appellante] een bedrag van € 30.000,- zou geven.” Ook uit deze verklaring blijkt niet dat genoemd bedrag krachtens een overeenkomst met appellante verschuldigd was als compensatie voor investeringen van appellante.
Bij haar aanbod de personen die schriftelijke verklaringen hebben afgelegd ook nog als getuige te horen, heeft appellante niet aangegeven wat zij meer of anders zouden kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan. Dit bewijsaanbod is dan ook onvoldoende specifiek en niet ter zake dienend.
Met de overgelegde verklaringen, waaronder ook nog een van ene J die evenmin helderheid verschaft over de reden voor het bestaan van een verplichting uit overeenkomst, heeft [appellante] de gestelde overeenkomst ter compensatie dan ook niet onderbouwd.
Feit is ook dat de door I vermelde opschortende voorwaarde dat erflater bij leven zijn huis zou verkopen, niet is ingetreden. Aan deze verklaring hecht het hof groot belang, omdat I volgens haar verklaring zowel met erflater als met appellante bevriend was.
Het hof wijst de vordering op de primaire grondslag af.
Ook op de subsidiaire grondslag is de vordering niet toewijsbaar. Min of meer normale onderhoudswerkzaamheden, zoals hulp bij het verven van de woning in 1997, zijn gebruikelijk voor bewoners van een woning en leiden niet tot een verbetering die als een verrijking moet worden aangemerkt. Appellante heeft niet gesteld dat zij de materialen voor de in 2004 aangebrachte carport heeft betaald, wel dat zij bij de aanleg werkzaamheden heeft verricht. Zij heeft evenwel niet gesteld dat zij daardoor verarmd is omdat zij in die tijd geen betaalde arbeid kon verrichten. Dat met de aankopen bij tuincentra en bouwmarkten verbeteringen zijn aangebracht die als verrijking hebben te gelden, is evenmin overtuigend onderbouwd.
Kennelijk heeft erflater kort voor zijn overlijden wel reden gezien om ten behoeve van appellante nog een lijfrentevoorziening te treffen van ruim € 20.000,-. Daarmee heeft hij, naast de bedoelde begunstiging ten belope van € 25.525,– in 2012, voldaan aan de verzekering aan de familie van appellante dat zij in staat zou zijn de lening van hun moeder terug te betalen.
De grieven 1 tot en met 3 in principaal hoger beroep falen. Grief 4 faalt eveneens. Geïntimeerde heeft als bewijs van haar stelling dat het bedrag van € 5.000,- is betaald als lening een bankafschrift overgelegd van 31 maart 2014, waarop is vermeld dat op 3 maart 2014 genoemd bedrag is overgemaakt aan appellante onder vermelding van “Lening i.v.m. toekomstige niet-vergoede ziektekosten”. De juistheid van dat afschrift is niet betwist.
Appellante heeft ook niet betwist dat erflater een nauwgezette administratie voerde. Het hof heeft dan ook geen enkele reden om aan te nemen dat erflater geen lening heeft bedoeld. Dat hij, zoals uit de niet-ondertekende schuldbekentenis volgt, de lening rentevrij heeft verstrekt en geen aflossingsschema heeft afgesproken, ontneemt aan deze uitkering niet de kwalificatie dat het toch om een lening gaat.
Nu alle grieven in principaal hoger beroep falen, wordt appellante veroordeeld in de kosten van principaal hoger beroep.
Wettelijke rente
De advocaat van geïntimeerde heeft in eerste aanleg betaling van deze lening geëist en de rechtbank heeft deze vordering in het bestreden vonnis toegewezen. Daarmee is echter nog geen rente over het toegewezen bedrag verschuldigd, want daarvoor is, nu geen rente was overeengekomen, nodig dat appellante in gebreke is gesteld en dat haar bij niet-tijdige betaling verschuldigdheid van wettelijke rente is aangezegd. Het hof heeft een dergelijke ingebrekestelling niet bij de stukken aangetroffen. Eerst uit de op 13 september 2016 genomen memorie van antwoord tevens incidenteel appel blijkt dat geïntimeerde aanspraak maakt op wettelijke rente. Dit processtuk kan als ingebrekestelling worden beschouwd. Met inachtneming van een redelijke van veertien dagen om alsnog na te komen, is wettelijke rente dan verschuldigd vanaf 28 september 2016 in plaats van per 6 januari 2016.
In zoverre is de verholen grief in incidenteel hoger beroep gegrond.
De grief van geïntimeerde tegen de compensatie van kosten in de procedure in eerste aanleg in conventie slaagt niet. Aan appellante is een substantieel bedrag toegewezen. Partijen zijn daarom terecht ieder in de eigen kosten veroordeeld.
Omdat partijen in incidenteel hoger beroep over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zal het hof de kosten in incidenteel hoger beroep compenseren.
Vergoeding volledige advocaatkosten?
De slotsom is dat het vonnis in conventie en in reconventie wordt bekrachtigd en dat appellante wordt veroordeeld in de proceskosten van principaal hoger beroep. Voor toekenning van de door geïntimeerde geclaimde werkelijke advocaatkosten ziet het hof geen reden.
Volgens vaste jurisprudentie is een dergelijke veroordeling alleen toewijsbaar in geval van misbruik of onrechtmatig handelen, en bij het aannemen daarvan past terughoudendheid, gelet op het mede door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter (vgl. Hoge Raad, 6 april 2012, HR:2012:BV7828).
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de vereffening of verdeling van een erfenis, over een schenking, over ongerechtvaardigde verrijking of over vergoeding van advocaatkosten in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat erfrecht op 020-3980150.